De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.

maandag 23 oktober

Bijschriftzaterdag, 11 oktober 2003

Onschuldig
Ik echter wandel
in onschuld -
verlos mij
en wees mij genadig
Psalm 26: 11
U herinnert het zich misschien: uw kind komt huilend thuis uit school. Ze hebben hem geslagen en hij heeft niks gedaan. Nou ja, er waren jongens vlakbij hem die iets gemeens deden, maar hij heeft er niet aan meegedaan. Echt niet! Onschuldig en toch een pak slaag gehad.
Ja, dat kan gebeuren. Sterker nog: het gebeurt. Daar kan de dichter van dit lied over mee praten. Hij ziet het om zich heen. Mensen die met de Here God leven, worden niet altijd serieus genomen. Soms worden ze het voorwerp van spot. Of van haat en tegenstand. Juist omdat ze in hun leven van elke dag laten zien dat ze hun leven willen inrichten naar de wil van God.
Misschien herkent u het wel. Want wij kunnen zoiets vandaag in onze samenleving ook ontdekken. Niet zelden wordt er openlijk of bedekt via allerlei media de spot met oprechte christenen gedreven. Alsof het dienen van de Here God een achterhaalde zaak is, waar een modern mens zich niet meer mee bezig kan houden.
Daarom eindigt dit lied met een gebed. Juist in die situatie heeft de dichter Gods verlossing én Gods genade nodig. Het één en het ander.
Als je het woord ‘verlossing’ goed leest, hoor je er iets van de Verlosser in. Iemand die je ruimte kan geven om te leven en adem te halen. Die je uit de benauwdheid haalt. Dat is wat de dichter aan God vraagt. Wilt u temidden van alle vijandschap tegen U mij toch de ruimte geven om mijn leven naar Uw wil in te richten. En laat mij daarin genieten van uw goedheid. Onverdiende goedheid. Goedheid die U bewijst aan kleine mensen zoals ik.
Inderdaad, dagelijks heb je je Verlosser nodig. Toch?
Henk Last

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

Familieberichten
Advertenties