De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
zaterdag 24 februari

Geloof & Kerkwoensdag, 5 november 2003

Kerken ontmoeten IMF en Wereldbank
Zijn IMF en Wereldbank echt veranderd?
Vorige week dinsdag en woensdag vond de tweede ont-moeting plaats tussen de Wereldraad van Kerken en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank (WB). Het eerste gesprek werd gehouden in februari van dit jaar. Er zullen waarschijnlijk in 2004 nog twee gesprekken volgen.

GREETJE WITTE-RANG
Er was een opvallend verschil tussen het tweede gesprek tussen Wereldraad en IMF en WB en het eerste. Het eerste werd gehouden in het kantoor van de Wereldraad in Genčve, waar alle delegaties een sobere, maar gastvrije ontvangst wachtte en ook buitenom de officiële zittingen veel gesprekken tussen de delegaties plaatsvonden.
Het tweede gesprek was in Washington, beurtelings bij WB en IMF. De lunches waren overdadig, maar van echte gastvrijheid was geen sprake, daar de deelnemers van de zijde van IMF en WB, op enkelen na, alleen aanwezig waren als ze een bijdrage moesten leveren; daarna vertrokken ze weer naar hun kantoor. Begrijpelijk, want er ligt veel werk. Maar om een werkelijke dialoog te hebben, is continuďteit in de aanwezigheid van de gesprekspartners wel een vereiste. Door de Wereldraad werd daarom voorgesteld het volgende gesprek maar weer in Genčve te hebben: dan zijn de IMF en WB-mensen tenminste voortdurend aanwezig.
Deze weinig toeschietelijke houding van de zijde van IMF en WB gaf voeding aan een angst die toch al leefde bij de Wereldraad, namelijk dat IMF en WB deze gesprekken alleen aangaan om hun eigen imago te versterken. De leiding van de WB-delegatie reageerde ook wat aangebrand op kritische opmerkingen van sprekers van de Wereldraad, alsof getwijfeld werd aan hun eigen integriteit.
De Wereldraad organiseerde in september een gesprek met vertegenwoordigers van kerken uit de hele wereld, om dit tweede gesprek met IMF en WB voor te bereiden. Bij die gelegenheid werd duidelijk dat de visies op het werk en zelfs het bestaan van IMF en WB uiteenlopen. Uit ontwikkelingslanden komen zeer kritische geluiden; sommigen pleiten daar voor opheffing van de twee instituten en wijzen een gesprek af. Toch werd besloten het gesprek wél aan te gaan. Zoals dr Molefe Tsele van de Zuid-Afrikaanse Raad van Kerken zei: we hebben hoe dan ook met deze instellingen te maken, dus laten we het beste ervan maken. Ondanks de verschillen konden de kerken toch een gezamenlijk uitgangspunt voor de gesprekken formuleren. De kerken zijn geroepen om getuigenis af te leggen van de hoop die in hen is; zij hebben daarom een ‘passie voor het mogelijke’. Ze verwerpen de gedachte die momenteel in de internationale economie heersend is, dat er geen alternatief zou zijn (TINA: ‘There Is No Alternative’ zoals in het internationale bedrijfsleven wordt gesteld) voor het huidige onrechtvaardige en onduurzame economische systeem en het economisch denken dat daarbij hoort. Dat was de inzet van de kerken in het gesprek met IMF en Wereldbank.

Onderwerpen

Er waren vier onderwerpen gekozen voor deze tweede bespreking. Het eerste had betrekking op het bestuur en de aanspreekbaarheid van IMF en Wereldbank. Door de structuur van deze organisaties (‘de meeste gelden stemmen’) hebben de rijke landen het hierin voor het zeggen, terwijl het de arme landen zijn die vooral te maken hebben met hun beleid. Het IMF waarschuwt de VS wel dat ze te grote tekorten hebben, maar doordat de VS financieel niet afhankelijk zijn van het IMF, worden die waarschuwingen genegeerd. Arme landen kunnen zich dat niet permitteren, omdat ze dan geen hulp en schuldverlichting krijgen. IMF en WB erkennen dat hier een probleem ligt.
Het tweede onderwerp hing nauw samen met het eerste: de participatie van de bevolking van ontwikkelingslanden in ontwikkelingsprocessen. Participatie is, samen met gerechtigheid en duurzaamheid, altijd een centraal begrip geweest in het oecumenische sociale denken. Mensen moeten de ruimte krijgen verantwoordelijkheid te dragen, want ieder mens is een geroepene. Systemen en beleid moeten dus beoordeeld worden op de mogelijkheden die ze bieden voor participatie en het dragen van verantwoordelijkheid. Ook IMF en Wereldbank zijn gaan inzien dat werkelijke betrokkenheid van de bevolking van een land bij het te voeren beleid een noodzaak is. Beleid dat van buitenaf wordt opgelegd, heeft geen basis in de bevolking en zal daarom mislukken. Men verplicht dus nu overheden om de bevolking van hun landen te raadplegen bij het opstellen van plannen voor armoedebestrijding.
Voor de delegatie van IMF en WB was het bovenstaande aanleiding om te constateren dat er veel overeenstemming is met de Wereldraad. De Wereldraaddelegatie was daarvan niet zo overtuigd. Te snel leggen deze instellingen zich neer bij de bestaande misstanden, vanuit het idee dat die toch niet te veranderen zijn, zoals de stemstructuur van IMF en Wereldbank. ‘Laten we de balans die we nu hebben, proberen te bewaren', zei een IMF-man. Het probleem is echter dat er in de ogen van de arme landen geen sprake is van een balans. Zij worden, ondanks de mooie woorden van IMF en WB over participatie, gedwongen tot een beleid dat de armen schaadt.
William Stanley uit India, afkomstig uit een organisatie van arme boeren, wees erop dat zijn land door dat beleid grote schulden heeft gekregen. Er zijn buitenlandse bedrijven in het land gekomen, die vooral kapitaal exporteren. De landbouw is geprivatiseerd, waardoor de prijs van de rijst met 50 procent steeg en mensen van hun land verdreven werden. De man van de WB reageerde hierop met de opmerking dat India een democratie is: kennelijk kiest het land er zelf voor.
Een voortdurend terugkerend punt dat ook bij de resterende onderwerpen (privatisering en globalisering) opdook, was de vraag of IMF en WB werken vanuit een vaste visie op het beleid dat landen zouden moeten uitvoeren. Propageren ze een neo-liberaal economisch beleid? IMF en WB ontkennen dat, maar tegelijk blijkt als ze over hun werk vertellen dat ze wel degelijk ingrijpen als ze niet kunnen instemmen met bepaalde beleidsvoornemens van overheden. Dat wordt ook van ze verwacht door hun besturen, die gedomineerd worden door de rijke landen. De vraag hoeveel ruimte landen krijgen voor eigen beleid, blijft daarmee toch onbeantwoord, temeer daar IMF en WB bij veel voorbeelden van beleid dat verkeerd uitpakte, regelmatig antwoordden dat dat voorbeelden uit het verleden waren en hun huidige beleid anders is. IMF en WB stelden zich in de gesprekken steeds heel pragmatisch op. Als het gaat over privatisering van nutsvoorzieningen, is het uitgangspunt of een overheid de middelen heeft om daarin te voorzien. Zo niet, dan kijkt men naar mogelijkheden van privatisering.
De Wereldraad wilde ook op een principiëler niveau spreken, bijvoorbeeld over de vraag of met de privatisering van basisvoorzieningen niet fundamenteel iets verandert in een samenleving. Mensen worden in plaats van burgers die recht hebben op bepaalde voorzieningen, klanten die voorzieningen mogen kopen bij commerciële bedrijven. Hoe spelen hierin de mensenrechten een rol? Bovendien zijn er talloze voorbeelden van bijvoorbeeld de privatisering van de watervoorziening, die op een ramp zijn uitgelopen voor de armste bevolkingsgroepen.

Nieuwe afspraken

De gesprekken zullen vervolgd worden, zo werd tot slot afgesproken. Onderdeel daarvan zal het bespreken van voorbeelden van privatisering zijn, zodat heel concreet duidelijk kan worden waar de visies van IMF, Wereldbank en Wereldraad uiteen lopen en of er werkelijk geen alternatieven zijn voor het uitgevoerde beleid.
Greetje Witte-Rang is werkzaam bij de stichting Oikos in Utrecht. Ze woont de gesprekken bij en is de delegatie van de Wereldraad behulpzaam bij de inhoudelijke voorbereiding van de gesprekken.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

Geloof & Kerk
Familieberichten
Advertenties