De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
woensdag 22 november

Dossiermaandag, 25 september 2006

Mooi plagiaat is niet lelijk
WIM SCHUURMAN
Voor- of nabeschouwingen, zeker van grote evenementen, volgen altijd vertrouwde patronen. Neem een WK, hoe geef je zo’n ogenschijnlijk grote klus handen en voeten?
Welnu, eerst moet de lezer een warme onderbuik krijgen en dat lukt het best met een oude koe. Voor een WK judo bel je Anton Geesink en vraagt hem andermaal wat er door hem heen ging toen hij met zijn tweehonderd kilo op die kleine Japanner ging liggen. De reus mompelt iets over respect, je bedankt hem voor zijn tijd en complimenteert hem met zijn fijne werk voor het Olympisch Comité.
Met het WK wielrennen op het programma stuit je steevast op Joop Zoetemelk, al 21 jaar het ijkpunt voor Nederlands succes. Maar Joop is al tot de laatste lettergreep leeggezogen en heeft de moderne techniek ingeschakeld om het journaille te woord te staan. Zijn antwoordapparaat biedt slecht twee smaken. ‘Draai (Joop heeft nog steeds een bakelieten toestel) een één voor mijn verhaal hoe ik destijds uit het peloton poefde, en een twéé om naar het hoofdmenu terug te keren’. Na de piep spreek je een kort dankwoord en wenst hem veel plezier met zijn komende gemzenjacht in de Pyreneeën.
Eenmaal warm gemaakt met oude doosverhalen wordt het tijd om onze kansen voor de komende titel te taxeren. Voor het WK wielrennen hebben we slechts twee kaarten tot onze beschikking, Michael Boogerd en Karsten Kroon. Maar Boogerd klaagt over een infectie aan zijn luchtwegen en Kroon heeft jeuk aan zijn piemel.
Wat zegt u?
Precies, met zo’n woord heb je lezers die even een wegtrekker dreigen te krijgen meteen weer bij de les. Die piemel wordt als het ware een cliffhanger om ze door de rest van je relaas heen te trekken en het verdient aanbeveling deze slechts spaarzaam te gebruiken, bij voorkeur halverwege. Kroon is zelf degene die ons in een column de ware toedracht van zijn malheur verklaart. Hij heeft een broertje dood aan pyjama’s, heeft net als wij last van muggen op zijn slaapkamer en de rest laat zich raden.
Maar goed, na deze kleine opleving sta je als verslaggever wel weer met lege handen nu je beide Nederlandse kaarten hebt uitgespeeld. Je besluit een innovatieve draai aan je verslag te geven en verlaat de landsgrenzen op zoek naar renners die én favoriet voor de titel zijn, én Nederlands spreken. In België is het altijd bingo. Tom Boonen is de gedoodverfde kampioen en moet toch een zinnig woord over zijn kansen kunnen zeggen. Maar Boonen is gebrouilleerd met de pers en verwijst ons naar zijn onlangs verschenen boek Tom Boonen, mijn verhaal . Tom klaagt dat hij een modepop is geworden waar mensen hun zelfgemaakte vodden aan ophangen: ‘Blijkbaar verkoopt een tijdschrift beter als mijn hoofd op de cover staat.’ In die wetenschap zorg je er als verslaggever voor het verslag te bestrooien met de grote namen in de sport. Nu Geesink, Zoetemelk en Boonen de revue zijn gepasseerd hebben we aan die voorwaarde ruimschoots voldaan.
Het gedegen voorwerk werpt zijn vruchten af. Ondanks bemoedigende ontsnappingen kan Kroon noch Boogerd potten breken en de lezer begint warempel te geloven een stuk vakwerk onder ogen te hebben. In de wetenschap dat Bettini de rit gewonnen heeft is het slotakkoord geen kunst meer. Zoek op internet naar de palmares van de kleine Italiaan en spuug even in de handen voor een mooie volzin: Het heuvelachtige parcours leende zich uitstekend voor de in Cicana geboren Italiaan die eerder de voorjaarsklassieker Luik-Bastenaken-Luik op zijn naam wist te schrijven.
Luister ten slotte met gespitste oren naar Mart Smeets, en omdat je nu éénmaal beter van de stad dan van het dorp kunt stelen, gebruik je zijn woorden om je verslag nog een ‘persoonlijk’ tintje mee te geven: ,,Wat een mannetje, wat een mannetje, wat een grote kleine mijnheer.” C’est tout!

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

dossier
Familieberichten
Advertenties