De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
zondag 24 september

Achtergronddinsdag, 29 augustus 2017

Aantal lepelaars zegt wat over de Waddenzee
Lepelaars in het Waddengebied kennen steeds minder broedsucces: ze brengen de laatste jaren geen twee kuikens meer groot, maar meestal één. Dat komt door voedselgebrek, blijkt uit onderzoek. De Waddenzee zou weer rijk aan kleine vis moeten worden om het tij te keren.
Meer dan de helft van de West-Europese lepelaars (zesduizend broedparen in 2010) broedt in Nederland. Daarvan broedt weer meer dan de helft (1700 broedparen) in het Nederlandse Waddengebied. Zijn dat er veel? Het is maar hoe je er naar kijkt.
De kolonie grote sterns in Utopia op Texel alleen al was in 2015 zesduizend broedparen groot. Als we bedenken dat er de afgelopen vier jaar in het belangrijkste Zuid-Europese broedgebied voor lepelaars, de Spaanse Coto Doñana, door droogte geen enkel kuiken groot is gekomen, dan is de Nederlandse verantwoordelijkheid groot.
Sinds 1982 worden de lepelaars in de Waddenzee gevolgd door kolonies te tellen en kuikens, net voor het uitvliegen, van kleurringen te voorzien. Dit werk begon in de vrije tijd van twee boswachters (Harry Horn en Otto Overdijk) en kreeg een belangrijk vervolg in het Metawad project van het Waddenfonds.
Zo leerden we de trekroute en de overwinteringsgebieden kennen en ook de tijden en plaatsen waar lepelaars in de knel komen. Volwassen vogels hebben de hoogste sterftekans als ze op weg van West-Afrika terug naar Nederland trekken. Kuikens sterven vooral thuis, hier in de Waddenzee.
Voedselgebrek
Die kindersterfte nam gestaag toe met de toenemende aantallen broedende lepelaars. De afname van het broedsucces was het sterkst in oude stabiele kolonies zoals die op Terschelling en Schiermonnikoog, en niet te merken in jonge groeiende kolonies zoals op Griend.
Omdat juist voor de kwelders van Terschelling en Schiermonnikoog niet voor te stellen is dat er gebrek aan broedruimte zou zijn, en omdat in stabiele kolonies de kuikens nog eens trager groeien ook, wijten we het lager wordende broedsucces aan voedselgebrek. In ons werk met zendertjes zien we namelijk dat lepelaars maar een heel klein deel van het areaal aan platen en geulen gebruiken om te vissen. Bovendien zijn ze ieder voor zich trouw aan bepaalde geultjes.
De lepelaarvrouwen die oostelijk op de kwelder broeden gaan naar geultjes ten zuidoosten van Schier, degene die westelijk broeden naar de zuidwestkant. Daar hebben ze dan maar enkele uurtjes per dag ondiep water om te foerageren. In die geultjes vangen ze, zo blijkt uit nieuw onderzoek van Jeltje Jouta, garnalen, scholletjes en grondels.
Kleine platvissen zijn al jarenlang erg schaars in de Waddenzee. Dat de meeste mannen 's nachts helemaal naar het Lauwersmeer gaan, past ook in het idee van voedselgebrek: het goede voedsel moet kennelijk van ver komen.
Draagkracht bereikt
Alles wijst er dus op dat lepelaars beperkt worden door het voedselaanbod op het wad. Dat de lepelaars van Schiermonnikoog de laatste jaren geen twee kuikens meer grootbrachten maar meestal één, laat zien dat in deze oude kolonie de huidige ‘draagkracht’ voor lepelaars is bereikt.
Echter, met een gemiddelde opbrengst van minder dan een half kuiken per paar, was het broedsucces de afgelopen zomer wel heel erg laag. Het begon zo mooi, met meer nesten dan we ooit hadden geteld (270 in plaats van het oude record van 238).
Maar van al die nesten kwam weinig terecht. Dat heeft vast iets te maken met het koude natte voorjaar, maar kan het ook iets te maken hebben met de door de vissers gemelde dip in de garnalenstand? Meer gedetailleerde analyses zijn nu noodzakelijk. Door lepelaars te blijven volgen houden we de vinger aan de pols van het systeem. Als het lukt om de Waddenzee weer rijk aan kleine vis te krijgen, en als we blijven kijken, dan zullen lepelaars dat herstel laten zien.
Voor meer over de lepelaars in de Waddenzee, zie het boek ‘Knooppunt Waddenzee’(Uitgeverij Bornmeer, 2016).
Petra de Goeij is verbonden aan de Werkgroep Lepelaar en Project Metawad (het werk werd uitgevoerd aan de Rijksuniversiteit Groningen en bij het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituur voor Onderzoek der Zee op Texel).
Dit artikel is tot stand gekomen op initiatief van de Waddenacademie

| Fertel in freon | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0 |


Reacties:

achtergrond
Familieberichten
Advertenties