Met vallen en opstaan ontvankelijk zijn

Lied 1007 uit het Liedboek, zingen in huis en kerk gaat over de zeven werken van barmhartigheid, het thema van vastentijd 2021 die vandaag eindigt. Het lied Brood zal ik geven kan gezongen worden als een intentieverklaring. Het lied roept de zanger niet alleen op barmhartig te zijn voor de ander, maar ook voor zichzelf. Als het soms even niet gaat zoals je graag zou willen, dan mag dat. Als je maar ontvankelijk blijft. Een gesprek met de schepper van dit lied: Maarten Das (1980) uit Driebergen.

Gerbrich van der Meer

Geplaatst: 04 april 2021 om 09:00

Maarten Das (1980) uit Driebergen.   FOTO: FD
0%

Maarten Das was 33 toen hij de tekst voor lied 1007 schreef. In die periode werkte hij als journalist en zat bij het Utrechts stadsdichtersgilde. Inmiddels werkt Das bij De zalige zalm, uitgever van kerkbladen en communicatiebureau voor de kerken. Hij begeleidt gemeenten in het maken van een eigen kerkenblad en is daarnaast kindercoach. En hij dicht nog steeds. ,,Ik heb net een bewerking van psalm 101 ingeleverd bij de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied in verband met de uitgave van een nieuwe bundel psalmberijmingen volgend jaar.”

Voor het Liedboek uit 2013 schreef Das twee teksten. Wees geprezen, bron en schenker (lied 742), geïnspireerd op het Zonnelied van Franciscus van Assisi, en het lied Brood zal ik geven waar in korte frases de zeven werken van barmhartigheid worden benoemd.

 

We passeerden elkaar en zagen elkaar aan. Best spannend. Een reiger heeft een scherpe snavel

Gedichten kwamen al vroeg op Das’ pad. ,,Ik was zo’n twaalf, dertien jaar toen mijn oog viel op het boekwerk De spiegel van de Nederlandse poëzie, een bloemlezing onder redactie van Hans Warren. Het stond thuis in de boekenkast.” Das was veel in de bieb te vinden. ,,Ik vond het heerlijk om te lezen. Maar die dichtbundel thuis was een sensatie. Hij opende voor mij een heel nieuwe wereld.” Niet dat hij de gedichten per se allemaal mooi vond, ,,maar ze intrigeerden mij wel. Ik vond ze zo wonderlijk, zo exotisch. Wat is dit nou weer?, dacht ik als ik een gedicht van Lucebert of Rodenko las. Ze schreven zo raadselachtig. En ik kon niet duiden waarom.” Nu snapt hij zijn interesse beter. ,,Als kind vond ik puzzelen met taal al geweldig. Op een vakantie in Noorwegen heb ik met behulp van een zakwoordenboek eens een Noorse Donald Duck ontcijferd. Ik mocht van mezelf pas naar het volgende plaatje als ik die daarvoor helemaal had uitgevogeld.”

Das komt uit een gezin met artistiek gevoel. ,,Mijn moeder speelde piano, mijn vader toneel. Voor mij heel gewoon.” Als kind was hij vooral aan het tekenen, later kwam dat schrijven pas. ,,Ik was zestien toen ik begon met dichten. Zo grappig, wat ik nu schrijf, zijn eigenlijk weer plaatjes. Alsof ik weer teken, maar nu met taal.”

Dichten is voor Maarten Das een manier om naar de wereld te kijken. ,,Als ik dicht, wil ik vooral een beeld neerzetten van iets wat ik heb gezien of gevoeld. Wat ik met een beeld bedoel? Vorig jaar overleed mijn beste vriend. Eén bepaald beeld van de begrafenis staat nog steeds op mijn netvlies. Die indruk heb ik toen talig neergezet.”

Hij is een natuurmens. ,,Als kind vond ik het al heerlijk om naar het strand te gaan. Schelpdiertjes en krabbetjes zoeken. Die diertjes boeiden mij mateloos.” En nog altijd zoekt hij graag de natuur op. Iedere keer dat hij een buizerd op de wind ziet zweven, geniet hij. ,,Dat doet me gewoon zoveel. Het is alsof hij tot me spreekt. Het beeld van die biddende buizerd die vertrouwt op zijn dragende vleugels, herinnert me eraan dat ook ik mag vertrouwen. Dat beeld neem ik met me mee en kan zijn weg later zomaar in een gedicht vinden. Ken je die frase uit het tafelgebed van de eucharistie die de priester uitspreekt? ‘Verheft uw hart’, zegt hij dan. Dat gebeurt ook als ik bijvoorbeeld een roodborstje zie, dan maakt mijn hart een sprongetje.”


'De zieken verzorgen', een van de zeven werken van barmhartigheid van beeldend kunstenaar Frans Fransiscus.

De eerste keer dat het voelde alsof een vogel tot hem sprak, was op een nacht in de binnenstad van Utrecht. ,,Ik kwam thuis van de studentenvereniging en meende in de verte op een brug een poes te zien.” Het bleek een reiger te zijn. ,,We passeerden elkaar en zagen elkaar aan. Best spannend. Een reiger heeft een scherpe snavel.” Het voelde als een ontmoeting. ,,Hoe? Een reiger is altijd alleen. Ook ik ga mijn weg alleen door het leven. Het was alsof de reiger mij kracht gaf, zo van: je kunt ook heel goed in je eentje door het leven gaan. Kijk, je kunt ook voor eenzaamheid weglopen. Het is soms ook heerlijk hoor, om zo’n spreeuw te zijn die lekker meedeint in de zwerm. Maar ik ben nu eenmaal een reiger, geen spreeuw.”

De dichter voelt zich verwant met de heilige Franciscus van Assisi (1181/82). ,,Franciscus ziet dieren als zijn broeders en zusters, net zoals de zon, de maan en de sterren.” Franciscus’ besef van heelheid van de Schepping probeert hij in zijn geloof ook gestalte geven. ,,Eigenlijk voelde ik dat zonder woorden als kind op dat strand met al die beestjes al aan.”

Vanzelfsprekend oecumenisch

De dichter groeide op in een protestants milieu. ,,Niet dat ik me dat zo bewust was. We gingen namelijk ook wel naar de katholieke kerk.” Thuis deden die verschillen er niet zo toe. ,,Ik zag wel dat het een ander gebouw was met andere liederen, maar het was beide keren een kerk op zondag en God was God.” Pas veel later besefte Das dat hij onuitgesproken vanzelfsprekend oecumenisch was opgevoed. ,,Op een dag vroeg iemand me op school: ‘Wat zijn jullie dan?’ Ik wist oprecht niet wat het antwoord was.” Was Das als kind trouw gelovig, als puber ging hij zijn eigen weg. Dat zijn moeder en oma maar bleven geloven in die God van de Bijbel verwarde hem. ,,Ik kon het niet laten om hen te bevragen. Hoe beleefden zij hun geloof? We hebben heel wat gesprekken gehad.”

Toen een goede vriend van hem novice werd bij de Franciscanen in Megen en later Amsterdam, inspireerde dat Das om de Bijbel weer op te pakken. Hij begon zelfs naar het klooster te gaan voor een paar dagen retraite. ,,En zo ben ik opnieuw tot geloof gekomen.” Hij bezegelde die stap niet alleen in de Rooms-Katholieke kerk, hij ging zelfs nog een stap verder en werd postulant bij een Franciscaner gemeenschap. Maar na een jaar keerde hij terug uit deze communiteit, vond een thuis in Driebergen en maakte een nieuwe start. Nu is hij bezig om een kindercoachpraktijk op te zetten en is onder meer als vrijwilliger actief in de Sint Maartenparochie op de Utrechtse Heuvelrug.

Een andere laag

In zijn gedichten probeert Das een andere laag aan te boren. ,,Het moet echt zijn, eerlijk, open en het moet licht doorlaten.” Licht? ,,Ja, licht. Dat vind ik heel Bijbels. Denk aan de verheerlijking op de berg. Hoe Jezus licht uitstraalt. Dat licht is voor mij het beeld van transparantie, van genade. Ik geloof dat je tot dat licht geroepen bent, het licht dat de gebrokenheid overstraalt. Licht is ook het beeld van de verrijzenis. Met de opstanding breekt het licht door.” En het is ook de dingen aankijken. ,,‘Wie de waarheid doet, gaat naar het licht’, staat in Johannes 3. Daar vertrouw ik op, ook als ik dicht.”

Het geloof is altijd met Maarten Das meegegaan. ,,Gelukkig wel. Het geloof bepaalt zo wezenlijk naar hoe ik naar mensen kijk. Het geloof geeft hoop, kleur, licht en diepte. Het gaat door mijn hele leven heen. In hoe ik probeer te leven, in mijn gesprekken met anderen... Weet je, Franciscus zegt: ‘Verkondig het Woord, desnoods met woorden.’ Ga het dus vooral doen. Ja, inderdaad, ik doe beide, in woord en daad. Of tenminste, ik probeer het.”

Het Liedboek

Collega-dichter Alexis de Roode bracht Das op het spoor van het nieuwe Liedboek. ,,Op Facebook zag ik dat hij teksten voor het Liedboek schreef. Dat is een leuke opdracht, dacht ik. Alexis heeft toen met de dominee van Zeist, Roel Bosch, contact opgenomen. Hij was namelijk lid van de redactie van het Liedboek.” Het bleek dat ze nog een tekstdichter zochten voor het Zonnelied van Franciscus van Assisi en de zeven werken van barmhartigheid. Na een uitgebreide ontmoeting kon Das aan de slag. Toen begon zijn avontuur. ,,Ik had meegekregen dat het een eigentijds lied moest worden. Geen stoffige taal dus, juist heel concreet, helder en verstaanbaar.” Dat was een uitdaging. ,,In mijn eerdere werk moet je soms best graven om de betekenis eruit te halen. Nu moest ik veel duidelijker en zichtbaarder schrijven.” Ook had hij nog nooit geschreven voor een liturgie. Het moest een tekst in de stijl van John Bell worden, besloot hij. ,,In het programma Songs of Praise komt vaak een lied van deze predikant van de Church of Scotland en lid van Iona-community voorbij. Bell tovert zulke prachtige beelden en woorden tevoorschijn. Hij heeft zo’n oog voor de kwetsbaarheid van de mens en voor maatschappelijke kwesties. Ontroerend gewoon.”

Toen begon het: schrijven, uitproberen, schrappen en weer schrijven. Gelukkig hoefde hij zich niet aan een melodie te houden. Tegelijkertijd moest er natuurlijk wel een melodie onder te schrijven zijn. Geen probleem. ,,Ik schrijf graag gedichten met een zekere muzikaliteit.”

De tekst in ik-vorm

En plots was daar dat idee, om de tekst in de ik-vorm te doen. ,,Heel spannend, maar zo haalde ik de zeven werken wel superdichtbij.” En toen rolden de eerste woorden eruit: ‘brood zal ik geven en water als wijn, een hand vol genade om mens van te zijn’. Zo. Dat stond. ,,Nu maar hopen dat de rest ook zo gaat, bedacht ik me toen.” Das refereert aan het kerstlied In the bleak mid winter. ,,Weet je dat in dat laatste couplet ook sprake is van een ik-figuur die onwennig met lege handen bij de kribbe staat?” Die tekst ontroert hem nog steeds. ,,En hij komt zo dichtbij.” Als de ik-figuur een herder was geweest had hij een lam mee kunnen brengen. Als-ie wijs was geweest, had hij ook iets om aan te bieden, maar als arme sloeber heeft hij gewoon niets in te brengen. ,,Alles wat hij hem kan geven is zijn hart.”

Een voor een ging hij langs de werken van barmhartigheid: de hongerigen voeden en dorstigen water geven, de vreemdeling onderdak bieden, de naakten kleden, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken en de doden begraven. Na het benoemen van de zeven werken had Das kunnen stoppen. ,,Maar ik voelde dat er nog iets moest staan om de tekst te laten landen.” Hij was zich ervan bewust dat hij met zijn tekst de toekomstige zangers heel wat in de mond legde. ,,Zie het als een intentieverklaring. Je probeert ontvankelijk te zijn voor barmhartigheid, ook al gaat het met vallen en opstaan.” Al dat pogen haalt Das in die laatste strofe terug naar een haalbaar niveau. ,,Want soms lukt het gewoon niet. En dat kan en dat mag.” Die gedachte resoneert in die laatste zin: ‘Zó wil ik leven: eenvoudig en klein, met twee lege handen een koningskind zijn.’ ,,Het thema van lege handen die kunnen ontvangen en geven, die open zijn, bereid zijn om er te zijn voor de ander en voor het werk dat er ligt. Als je die ontvankelijkheid voor de ander hebt in afhankelijkheid van God. Dan ben je een koningskind.”

Registreer u bij het Friesch Dagblad

Registreren
  • Registreren is zonder kosten of verplichtingen
  • Alle artikelen op frieschdagblad.nl zijn volledig toegankelijk
Hoofdredacteur

Opinie: Het gezicht van eenzame ouderen

Opinie

Er zijn in coronatijd weinig activiteiten voor ouderen. En daarmee schiet aandacht voor eenzaamheid en ouderdomsziekten zoals alzheimer of dementie er ook bij in. Een provinciaal n...

10 uur geleden

Lees meer

Thecla Bodewes weet het tij te keren

Economie

Scheepsbouwer Thecla Bodewes (TB) Shipyards heeft vorig jaar bijna zes ton winst gemaakt. In 2019 was nog een reorganisatie noodzakelijk, toen het bedrijf ruim twee miljoen euro ve...

19 uur geleden

Lees meer

Waarom Friesch Dagblad?

  • Het nieuws uit Fryslân
  • Verdieping en duiding bij de actualiteit
  • Opinies en analyses
  • Betrouwbaar, kritisch, evenwichtig en opbouwend
Registreren
Sluiten
Sluiten