De ziel wordt nooit een museumstuk

De ziel is een fenomeen dat altijd wel iets geheimzinnigs zal houden. Wie de mens is, blijft een raadsel, ondanks de moderne wetenschap. Dat we méér zijn dan ons biologische brein, beseffen we al sinds mensenheugenis, blijkt uit het boek De ziel. Een cultuurgeschiedenis.

De ziel wordt nooit een museumstuk

De ziel wordt nooit een museumstuk Foto: Wikimedia

De vraag wie de mens eigenlijk is, blijft ons bezighouden. Ons lichaam is iets vergankelijks - is dan de ziel onze eigenlijke kern? En wie zijn wij dan, als mens met lichaam én ziel? Deze vragen houden de mens misschien altijd al bezig, sinds hij in staat is over zichzelf na te denken. In elk geval is de identiteit van de mens al een thema in het eerste millennium voor Christus: in de Odyssee van Homerus en in de psalmen van David. Dan zijn meteen ook verschillen zichtbaar, en dat zou zo blijven. Bij de filosoof René Descartes (zeventiende eeuw) was de ziel vooral het bewuste denken, terwijl in het boek L’homme machine (1747) van de Franse arts-filosoof De la Mettrie de ziel eigenlijk niet meer bestaat: de mens is een mechanisch wezen, dat je kunt begrijpen dankzij de natuurwetten. Deze voorbeelden laten zien hoe verschillend er is nagedacht over het wezen of de ziel van de mens. Een brede schets van al die opvattingen biedt Ole Martin Høystad (1947) in zijn intelligente boek De ziel. Een cultuurgeschiedenis. Høystad is emeritus-hoogleraar culturele studies aan een universiteit in Noorwegen.

Het kan niet anders dan een breed panorama opleveren, als je de héle geschiedenis van de ziel wilt weergeven. Cultuurkenner Høystad begint zijn boek met Homerus, de oud-Griekse schrijver van de Ilias en de Odyssee. Hij gaat dan via de grote namen van de Klassieke Oudheid (Plato, Aristoteles, Plotinus) naar het christendom (Augustinus, Dante) en dan via renaissance (Descartes, Montaigne) en verlichting (Hume, Kant) naar de romantiek (Goethe) en naar latere ontwikkelingen (Darwin, Freud, Nietzsche). En daarmee is nog lang niet alles opgesomd wat de revue passeert in dit vijfhonderd pagina’s tellende boek.

Als je al die visies op je laat inwerken, raak je onder de indruk van de veelkleurigheid die de ziel vertoont door de tijd heen. Bij Plato (400 v. Chr.) heeft de ziel vooral te maken met rationeel management van ons bestaan, terwijl het bij Dante (1300) gaat over een goddelijke verlossing van de ziel uit het aardse verderf, al dan niet via het vagevuur. Bij Goethe (1800) draait het om ontwikkeling en Bildung van de eigen ziel, met als doel het bereiken van een zeer persoonlijk en waardevol zelf. Maar een kleine eeuw ná Goethe is de ziel bij Freud (rond 1900) veranderd in een duister hol met destructieve neigingen: ons schimmige onderbewuste, dat een hoop frustratie kan opleveren.

Gevarieerd beeld

Je kunt al die denkers en al die denkbeelden over de ziel dus nauwelijks op een ordelijk rijtje zetten. Høystad zegt geregeld dat heel vroege denkbeelden, bijvoorbeeld van Plato, nog altijd ons beeld van de ziel bepalen; en dat zegt hij ook van de christelijke zielsopvatting. Een lineaire ontwikkeling ‘van a naar b’ is niet de uitkomst van Høystads dikke boek. Maar globaal kun je wel constateren: de ziel als het meest eigene van de mens wordt op een gevarieerde manier verbonden aan onze lichamelijkheid. Bij Plato bijvoorbeeld bíjna niet: daar zweeft de ziel het liefst boven het aardse en het lichamelijke, op zoek naar de hogere werkelijkheid. En als de ziel al iets te maken krijgt met het lichaam, via de ‘lagere’ hartstochten, dan is de ziel dankzij haar rationele overwicht wel in staat om die hartstochten te bedwingen en dus buiten de deur te houden.

De ziel als het meest eigene van de mens wordt op een gevarieerde manier verbonden aan onze lichamelijkheid

Bij Plato is de ziel de ‘zetel van de rede’, aldus Høystad, en is autonoom: het liefst los van het lichaam. Maar bij Aristoteles, zijn leerling en opvolger, en zéker bij de latere verlichtingsdenkers van de zeventiende en achttiende eeuw staat de ziel juist in nauw verband met het lichaam. De vraag is dan juist: kan de ziel eigenlijk wel iets anders zijn dan iets lichamelijks? Soms noemen verlichtingsdenkers specifiek de hersenen als plek waar de ziel huist. Daarmee lopen ze vooruit op wat in onze tijd sterk wordt benadrukt: ons ‘ik’ bevindt zich in onze hersenpan. Dit betekent: onze identiteit is biologisch-chemisch bepaald, kortom: wij zijn ons brein. Als je de cultuurgeschiedenis van de ziel overziet, wordt overigens duidelijk dat dit laatste idee - ‘wij zijn ons brein’ - tamelijk extreem is, tegen de achtergrond van vijfentwintig eeuwen nadenken over de ziel. De mensheid heeft zich, sinds Homerus en de schrijvers van het Oude Testament, nauwelijks kunnen voorstellen dat de mens een puur materieel wezen zou zijn en dat de ziel of de kern van ons wezen dan ook iets louter stoffelijks is. Maar is de ziel dan volledig ‘immaterieel’, dus volkomen geestelijk? Ook dat blijkt geen populaire zienswijze, hoewel varianten van het christendom geneigd waren in die richting te denken.

Het onbewuste

Een andere hoofdlijn die Høystad heeft ontdekt in de geschiedenis van de ziel is de wending naar het psychische. Voor iemand als de middeleeuwer Dante was de ziel vooral een theologisch begrip: het zelf van de mens dat in contact staat met God. Die ziel bevuilt zich met zonde, maar wordt verlost door geloof, boetedoening en goede werken. Maar ten tijde van de renaissance (omstreeks 1500) raakte men meer en meer geïnteresseerd in de natuurlijke aardse werkelijkheid en raakte het bovennatuurlijke zijn centrale plek kwijt. Dat zorgde ervoor dat de ziel als psyche werd begrepen: als het innerlijke, emotionele leven van de mens. Opmerkelijk genoeg noemt Høystad hier de toneelschrijver William Shakespeare (rond 1600), die volgens hem de middeleeuwse theologische ziel heeft ‘vervangen door complexe psychologische motieven en hartstochtelijke begeerten’. Of Shakespeare dit zelf zo zag, is de vraag, maar het tekent wel zijn klassieke grootheid: hij wist de mens met zijn complexe gevoelsleven te portretteren op een manier die ons vandaag nog altijd raakt.

Veel later zou Sigmund Freud , de uitvinder van de psychoanalyse, de ziel vooral begrijpen als een niet-bewust fenomeen in de mens, het zogenoemde ‘onbewuste’. Daarin huizen driften en verlangens waarvan je je niet bewust bent maar die niettemin je persoonlijkheid bepalen. Het mensbeeld werd er niet fijner op, nadat Freud de mens had neergezet als beheerst door lichamelijk-psychische factoren die hij niet onder controle heeft. ‘De ziel werd na hem nooit meer hetzelfde’, aldus Høystad.

Levenskunst

Maar we zijn niet tot Freud veroordeeld, wordt duidelijk uit zijn boek. In de tijd waarin Freud zijn psychoanalyse uitdacht, formuleerde Friedrich Nietzsche zijn radicale levensleer. Nietzsche is zeker niet alleen een nihilistische denker, zoals vaak wordt gedacht, maar ook een vitale geest, mikkend op intensieve, rijke levenservaring, juist ook vanuit de krachten van de ziel. Veel publicaties op het terrein van de levenskunst - in onze tijd vrij populair - gaan terug op Nietzsche. De ziel is dan niet meer een zorgenkindje, zoals bij Freud. Je moet er wel zorg aan besteden - de ‘zorg voor het zelf’ - maar dan om het leven te maximaliseren, te verrijken en te verdiepen.

Is het nuttig om na te denken over de ziel? Wie wordt geïnspireerd door het christendom, zal die vraag zonder problemen met ‘ja’ beantwoorden. De denktraditie het christelijke geloof is na al die eeuwen nog steeds sterk, constateert ook Høystad. Het beeld van de mens als lichaam en ziel - of: lichaam, geest en ziel - is nog altijd krachtig. Tegelijk zien we in onze tijd een enorme ontwikkeling in de hersenwetenschappen, met grote gevolgen voor de manier waarop wij onszelf zien. Als de mens ten diepste bepaald wordt door biologische en scheikundige processen, kan er eigenlijk geen sprake zijn van een ziel, want die kan altijd ‘vertaald’ worden in fysische termen. Kortom, de ziel of de geest van de mens, als iets wat ons het meest eigen is, misschien wel de harde kern van ons wezen - dat alles staat onder druk in een natuurwetenschappelijk denkklimaat.

Achterdeur

Hoe lastig het is om vandaag nog over de ziel te spreken, beseft Høystad heel goed. Hij signaleert echter dat de ziel, die rationeel gezien niet zou kunnen bestaan, via een achterdeur toch weer binnenkomt. Waar? In alternatieve, spirituele lectuur, die je planken vol aantreft in de boekhandel. Ook de bestsellers van J.K. Rowling (Harry Potter) en J.R.R. Tolkien (In de ban van de ring, De hobbit) raken ons omdat die boeken ons iets laten zien wat zich onder of achter de rationeel verklaarbare werkelijkheid bevindt. De populariteit van dergelijke boeken wijst op de ‘grote betekenis die de mysterieuze ziel nog steeds heeft in het bewustzijn van de mens, en hoeveel behoefte er nog steeds aan is’, schrijft Høystad. De ziel keert dus ‘in het geheim terug bij alternatieve stromingen, in populaire cultuur en in de fantasiewereld van de fictie’. Dat moet te denken geven, vindt Høystad.

Ook de bestsellers van J.K. Rowling en J.R.R. Tolkien raken ons omdat die boeken ons iets laten zien wat zich onder of achter de werkelijkheid bevindt

Hij betoogt: als we de ziel alleen nog maar kunnen zien als een psyche die we met therapie te lijf gaan, negeren we belangrijke terreinen van ons innerlijk. ‘Grote delen van het innerlijk leven van de mens, in het bijzonder de delen die betrekking hebben op de persoonlijke, ethische en existentiële kanten van het zielenleven, blijven onderbelicht en tegelijk worden de betekenis en de religieuze behoeften van de ziel meer en meer genegeerd of zelfs taboe.’ Misschien is het wel zo, veronderstelt Høystad, dat het zo vaak voorkomen van psychische aandoeningen, met name onder jongeren, een ‘symptoom is van een onmenselijke samenleving’ waarin de ziel en dus de diepte van de menselijke geest, worden genegeerd. We moeten, concludeert hij, ruimte geven aan de mens met zijn spirituele innerlijkheid, niet alleen omdat daar de bronnen liggen van creativiteit, maar ook omdat in de diepte van onze ziel het besef leeft ‘dat we deel uitmaken van iets groters dan onszelf’.