Met een wandeling door het historische deel van Leeuwarden realiseer je je weer hoe oud de stad eigenlijk is | Friese kuiers

Het is heerlijk om te wandelen. Korte of lange wandelingen, door bos, over heidevelden of in de stad. Wat heeft Fryslân allemaal voor schoons te bieden? Het derde deel van de zomerserie Friese kuiers.

Wat een mooie stad is Leeuwarden toch,. En er is nog veel meer te zien dan alleen de Grote of Jacobijnerkerk.

Wat een mooie stad is Leeuwarden toch,. En er is nog veel meer te zien dan alleen de Grote of Jacobijnerkerk. Foto's: Ineke Evink

Zou ik dat nou wel doen, een wandeling door mijn eigen stad? Want zo voelt Leeuwarden toch wel aan, na veertien jaar. En is het wel verstandig? Er is zo veel te zien dat een georganiseerde stadswandeling misschien meer op zijn plaats is.

Maar als een andere afspraak niet doorgaat en we – echtgenoot en ik – toch al vroeg uit de veren zijn, besluit ik de gelegenheid te baat te nemen. En echtgenoot wil wel mee. Het is prachtig weer, de zon schijnt maar het is niet te warm, er drijven wolken over maar die zijn wit van kleur. En het is waarschijnlijk nog redelijk rustig in de stad.

Fietsenstalling

We fietsen naar het centrum toe en parkeren de fietsen in een van de daarvoor speciaal ingerichte fietsenstalling. Briljant idee, gemeente Leeuwarden! Zo struikel je niet over de fietsen op de stoep, en hoef je naderhand niet je fiets achter zes andere vandaan te trekken.

Op het Zaailand is een markt met oude ambachten en hobby’s aan de gang. En de fonteintjes doen het! Kleine kinderen lopen - sommigen alleen in onderbroek – gillend van de pret door het opspringende water . Ook een goed idee zijn de bomen die ooit zijn aangeplant na de inrichting van wat officieel het Wilhelminaplein heet. Dat was nodig omdat het Fries Museum hier in 2013 een nieuwe plek kreeg. De bomen zorgen voor schaduw, en je kunt er ook nog onder zitten, op houten banken.

Persoonlijk heb ik trouwens nog steeds behoorlijk last van heimwee naar het oude Fries Museum, aan de Turfmarkt. Want het is een imposant gebouw, maar voor mijn gevoel hoort een museum dat minstens voor een deel is gevuld met de geschiedenis van de stad niet in nieuwbouw thuis.

Wij gaan deze keer niet naar het museum maar we lopen erlangs, naar de Wirdumerdyk. De benedenverdiepingen zijn inwisselbaar voor elke andere middelgrote stad in Nederland. Er zijn voornamelijk vestigingen van grote ketens te zien.

Wie echt van de stad wil genieten, doet er goed aan zich te richten op de eerste verdiepingen en hoger. Wat een verscheidenheid aan raampartijen, lateien, en wat een prachtige versieringen zijn er nog te zien. De gebouwen stammen uit de tijd dat grondstoffen duur waren en arbeid goedkoop. Dus als je toch eenmaal een huis liet bouwen, kon je het werkvolk er net zo goed iets moois van laten maken. Of hadden mensen vroeger gewoon meer smaak?

Via de Wirdumerdyk komen we aan op de Nieuwestad. Onder de hoge bomen op de hoek staat een groente- en fruitkraam. De frambozen lonken, maar ik weet me te beheersen. Echtgenoot loopt ondertussen onverstoorbaar door, en we gaan rechtsaf, naar het Naauw. Daarmee slaan we wel een oude en ooit belangrijke straat over: de Sint Jacobsstraat.

Door heel Europa lopen van alle kanten pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela, in Spanje. Ook in Fryslân, en in Leeuwarden. De straat is meteen te herkennen aan de putdeksels. ‘Campus Stellae’ staat er op, de Latijnse benaming voor Santiago de Compostela. Leeuwarden is, net als Sint-Jacobiparochie en Den Haag, een van de drie plaatsen in Nederland die Jacobus de Meerdere,een van de twaalf apostelen, als patroonheilige hebben.

Niet voor niets heet de oudste kerk van Leeuwarden de Grote of Jacobijner Kerk. Veel grote steden hebben trouwen een Jacobsstraat vanwege de pelgrimage.

We lopen het Naauw over en vervolgen onze weg over de Kelders, langs het water. We lopen gewoon rechtdoor en komen aan op de Voorstreek met als toppunt van schoonheid de Centraal Apotheek uit 1905.

Als een van de weinige Leeuwarder gebouwen is het hele pand onaangetast gebleven, en wat een geluk! De Centraal Apotheek is een schoolvoorbeeld van Jugendstil. Alleen aan de posters op de ramen kun je zien dat het de eenentwintigste eeuw is, en niet ruim honderd jaar geleden.

Hulde aan de mensen die erin zijn geslaagd dit pand te behoeden voor het lot van zo veel prachtige bouwwerken in de stad, waarvan de ondergevel is vervangen door van een afstand al herkenbare maar spuuglelijke winkelgevels. De Centraal Apotheek is zichzelf gebleven.

Een paar honderd meter verderop voert een straatje naar de Bonifatiuskerk. De kerk stamt uit 1884 en heeft een Cavaillé-Coll-orgel. Dat zegt de gemiddelde lezer misschien niets, maar de orgelliefhebber veert nu verheugd op. Voor wie dat niet is: de Notre Dame en de Saint-Sulpice in Parijs hebben ook een orgel van de beroemde Franse orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll.

En dat is alleen nog maar het orgel. De architect van de Bonifatiuskerk is Pierre Cuypers, die ook het Centraal Station van Amsterdam ontwierp, én de Rooms-katholieke kerk in Workum. De kerken in Leeuwarden en Workum hebben met elkaar gemeen dat ze beide min of meer achteraf staan en niet in het centrum. De katholieken hebben hun burgerrechten niet cadeau gekregen in de negentiende eeuw.

Architectuurgeschiedenis

We lopen weer terug en slaan linksaf, de Nieuwe Buren op. Wie de Nederlandse architectuurgeschiedenis van een paar eeuwen bij elkaar wil zien, is hier op het juiste adres. Van de 18 e eeuw tot zo ongeveer nu, alles staat er, en ook nog eens gebroederlijk naast elkaar. Aan het eind van de straat gaan we linksaf, de Monnikemuurstraat in. En meteen is de sfeer compleet anders.

‘Slijterij en wijnhuis’ staat op de gevel aan het begin, met een wapen met de Nederlandse leeuw erboven en het getal 16 aan de linkerkant eronder. Waarschijnlijk was het een jaartal. ‘In de karseboom’ heet een huis verderop, dat grotendeels is vernieuwd maar toch iets van de oude sfeer behouden heeft. Dat is niet in het minst te danken aan de prachtige gevelsteen met een kersenboom en het jaartal.

Een huis verderop heet ‘De nieuwe monnick’, en aan de andere kant van de straat staat ‘Zoete Naam Jezusgilde’. Het straatje ademt al helemaal de sfeer van de Jacobijner Kerk die even verderop staat.

De kerk ligt in de schaduw van de bomen aan een stuk groen. Aan de overkant was ooit Smederij J. Kroes gevestigd, is te lezen boven de deur, maar inmiddels huist er een ander bedrijf.

Joods monument

Het is een stil gedeelte van Leeuwarden. En die stilte wordt nog eens versterkt door het Joods monument en de voormalige Joodse school. Het verleden is nooit ver weg in Leeuwarden, maar hier komt het beklemmend dichtbij. We lopen langs het oude Stadsweeshuis de A.S. Levissonstraat in, vernoemd naar de Nederlandse opperrabbijn Abraham Salomon Levisson (1902-1945).

Een gedenkplaat herinnert aan wat er is gebeurd met de Joodse gemeenschap in Leeuwarden, in de negentiende eeuw nog een van de grootste van Noord-Nederland.

Villa’s

De A.S. Levissonstraat ontmoet het Schoenmakersperk en het Perkswaltje. De laatste straat is helaas een Eigen Weg, waarschuwt het bijbehorende bordje. Dat is jammer want vanaf het hek kun je een paar prachtige, weidse villa’s zien liggen die we graag van wat dichterbij hadden bekeken.

Het hoort allemaal bij het Nieuw St. Antonij Gasthuis uit 1864, dat ligt te bakken in de zon. Er tegenover staat het onvolprezen Natuurmuseum Fryslân, dat geen enkele ouder of grootouder links mag laten liggen. En mensen zonder kinderen en kleinkinderen ook niet, trouwens. Niet alleen om natuurbewustzijn aan te kweken, maar ook om je te verwonderen over hoe enorm ingenieus de schepping in elkaar zit.

Hoogteverschil

Dan maar de Pijlsteeg in. Dat Leeuwarden op drie terpen is gebouwd, kun je hier heel duidelijk merken, het straatje loopt hier echt omhoog. Links zien we een van de oudste huizen van Leeuwarden. Het stamt uit 1457 en heel terecht zit er een grote gevelsteen in de muur: 1457: Den Steed Deer Jacop Peylerth Pligath Op Toe Wennan.

Mijn geschiedenishart moet ervan zuchten. Wie was Jacop Peylart en wat deed hij? Hoe zag de stad eruit toen hij zijn huis liet bouwen? Betekent Pligath ‘pleegt’? En van wie liggen hier nog meer de voetstappen? In ieder geval die van Marijke Meu, of liever, de wielen van haar rijtuig.

Rechtsaf gaan we de Grote Kerkstraat in, ooit de verbinding tussen de terpdorpen Nijehove en Oldehove. Het oudste huis van de stad staat daar, op de hoek van de Bontepapesteeg. Aan het eind van de straat staat het Princessehof, ooit de residentie van Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) en nu keramiekmuseum.

De Grote Kerkstraat is een lust voor het oog. Grote voorname huizen, kleinere huizen in oud ossenbloedrood en okergeel, de Waalse kerk Passeren we, en het Antonij Gasthuis. De eerste steen is ‘geleidt’ door Bartollomeus Claasen. Als het de bedoeling was deze man te vereeuwigen, dan is dat dus gelukt.

Na het Princessehof lopen we zo tegen de Oldehove aan, de toren waarvan wordt beweerd dat hij schever staat dan die in Pisa, en die de oprechte Liwwadder niet uit het oog moet verliezen, wil hij zich prettig blijven voelen. Ik neem het allemaal graag voor waar aan.

Rechts van ons ligt aan de overkant van de weg onder andere het Historisch Centrum Leeuwarden, waar je kunt zien hoe Leeuwarden er door de eeuwen heen heeft uitgezien. Wij bezoeken het nu niet, maar het is een aanrader!

Patershuis

Ook de Prinsentuin, die weer daar achter en daarnaast ligt, bezoeken we vandaag niet. Na een korte hommage aan de Oldehove lopen we terug, de Kleine Kerkstraat in, en even later slaan we links af, naar de Bagijnestraat. Ook hier is de kerk niet ver weg, niet alleen vanwege de naam van de straat maar ook vanwege het Patershuis en de Westerkerk die daarnaast staat.

En vanwege het Aanloophuis van de kerken, dat we even eerder passeerden.

Dat de functie van de kerk is veranderd, valt direct af te leiden aan de twee leeuwenkoppen op de deuren, die beide zijn voorzien van een vuurrode uitgestoken tong. Een beetje Stones meets Westerkerk, zeg maar.

Aan het eind van de Bagijnestraat slaan we linksaf, en komen uit op het Raadhuisplein, met het stadshuis en de Wilhelminaboom. In de verte lonken de terrassen maar we weerstaan de verleiding en lopen het Herenwaltje in. Even later staan we oog in oog met De Waag, ook zo’n oud gebouw dat aan vooruitstrevende gemeenteraden en gedreven stadsvernieuwers is ontsnapt.

Tontjepijp

We gaan nog even linksaf over de Nieuwestad en strijken dan toch maar neer op een terrasje voor een cappuccino. Dit deel van de Nieuwestad heette vroeger Bij de Tontjepijp, staat op het straatnaambordje. De naam komt mogelijk van de botertonnetjes die hier doorheen kwamen, ontdek ik later.

We lopen langs de groentekraam en gaan even de Nieuwstad op om de eerste steeg linksaf te pakken, de Passage de la Baleine. Erboven hangt een prachtig kunstwerk van Giny Vos in de vorm van het skelet van een walvis. De ribben van het skelet vormen de bogen van de steeg .


Het skelet houdt tegelijkertijd op met de steeg, die maar liefst zestig meter beslaat. Als het donker is gaat er blauwe ledverlichting aan, waardoor het lijkt als de walvis door de steeg golft. Maar het is nu klaarlichte dag. We zien het Fries Museum weer staan en lopen er omheen, om daarna rechtsaf te slaan het Wilhelminaplein op.

Hobbyisten doen het uiterste best hun schilderijen, keramiek en sieraden aan de man te brengen, of om te laten zien hoe je houtsnijwerk maakt en wol spint. Twee meisjes hebben hun eigen variant bedacht en proberen de voorbijgangers te verleiden hun eigen sieraden te maken bij hen aan de kraam.

Maar wij gaan naar de fietsenstalling. En dan naar huis voor een tweede cappuccino.