De blinde musicus uit Workum

Als jongetje van tien werd Hessel de Harder uit Workum blind. Dat was in 1925. Zijn dochter Marie-Anne publiceerde onlangs een biografie over haar vader: ‘De blinde musicus uit Workum’.

Hessel de Harder was onder meer vaste beiaardier in het witte kerkje in Wassenaar.

Hessel de Harder was onder meer vaste beiaardier in het witte kerkje in Wassenaar. Foto uit besproken boek

De meeste blinden werden vroeger als ze toch een baantje hadden mattenvlechter of bezemmaker. Maar Hessel de Harder werd musicus. Hij gaf orgel- en pianoles, was organist in diverse kerken en ook nog beiaardier. Een van zijn drie kinderen is Marie-Anne. Zij is historicus en promoveerde in 2011 op een proefschrift over de rode Friese dominee Albertinus van der Heide. Verder schreef ze onder meer De kerkgeschiedenis van Dearsum van 1580 tot heden.

In de boeiende en prettig geschreven biografie over Hessel de Harder schrijft ze vol bewondering over haar vader. Bewondering had ze als kind al toen ze een jaar of zeven was en een buurmeisje tegen haar zei dat ze geen vader als de hare wilde hebben. ‘Jouw vader is blind.’ Tot dat moment was het Marie-Anne nog nooit opgevallen dat haar vader een handicap had. ‘In ons gezin was mijn vader gewoon mijn vader. Wel had ieder gezinslid de taak om het leven van mijn vader te veraangenamen. Niet strak georganiseerd of planmatig geregeld, het was een ongeorganiseerde orde.’

Toen Marie-Anne negen jaar oud was begeleidde ze haar vader voor het eerst naar de Badkapel, een hervormde kerk in Scheveningen, waar hij organist was. ‘Bij het bordes voor de ingang nam ik de bocht te krap waardoor mijn vader struikelde over de onderste trede. Ik vond het verschrikkelijk! Maar toen mijn vader was opgekrabbeld, tilde hij me op, drukte me stevig tegen zich aan en troostte mij. Daarna liet hij mij de kerk zien. Eenmaal binnen leidde hij mij in plaats van andersom.’

Groot ontzag

De persoonlijke insteek van de schrijfster komt pas in het laatste hoofdstuk naar voren. In de eerste acht hoofdstukken beschrijft ze met een zekere professionele afstand, maar tevens met groot ontzag over Hessel, zoals ze haar vader steeds noemt. Het eerste hoofdstuk gaat over Workum en de familie De Harder en hoe de jonge Hessel een hele dag onderweg is om in het blindeninstituut in Huis ter Heide aan te komen. Eerst met de trein van Workum naar Stavoren. Vervolgens met de boot naar Enkhuizen en dan met de trein naar Amsterdam en Utrecht.

Het aardige van de biografie is dat het leven van Hessel de Harder in een breder perspectief wordt geplaatst. Zo wordt uitgelegd hoe de blindenzorg in de loop der jaren is geweest en welke verschillende blindeninstituten er waren. Hessel zat in een instelling die door de Vrijmetselaars was opgericht.

Hessel geniet de orgelopleiding in Bussum waar hij bij het afstuderen van alle kandidaten de hoogste punten krijgt. Als blinde vraagt dat extra inspanning. Om een muziekstuk in te studeren werd eerst alles met de rechterhand gespeeld terwijl de linkerhand de muzieknoten las. Daarna moest de partituur voor de linkerhand worden geoefend en werd er dus met de rechterhand gelezen. Pas wanneer de noten in het geheugen waren opgenomen, kon er met twee handen worden gespeeld. Voor het orgel kwam daar dan de pedaalpartij nog bij.

Ieder gezinslid had de taak om het leven van mijn vader aangenamer te maken: een ongeorganiseerde orde

Hessel, die een groot liefhebber was van Bach en hem wel de vijfde evangelist noemde, moest altijd veel inspanning leveren om nieuwe liederen in te studeren. In zijn loopbaan maakte hij tweemaal mee dat er een nieuw liedboek kwam. Tijdens een kerkdienst zag zijn dochter ooit iets wat haast niet voor te stellen was. ‘Mijn vader speelde met de rechterhand en op het pedaal en met zijn linkerhand las hij de melodie.’

In 1937 werd De Harder kerk- en concertorganist in Laren en Blaricum. Over de ontwikkeling van het kerklied wordt uitgebreid geschreven en het extra werk dat dat opleverde voor een blinde organist. Ook komt aan de orde hoe de streng orthodox hervormde Hessel langzaam de vernieuwingen in zijn kerk omarmt. Zo studeert zijn vrouw (Margaretha J. Polderman) uiteindelijk theologie en staat zij op de kansel.

Na Blaricum verhuist Hessel naar Utrecht waar hij in de Julianakerk een baan krijgt als organist. Hij geeft in de Domstad ook orgelles. Dat doet hij ook in Workum waar zijn ouders nog wonen. In 1944 verhuist het paar dat net een kind heeft gekregen naar Workum omdat het daar veiliger is en er meer eten is. Na de oorlog kan Hessel eerst bij de PTT terecht als typist, maar daar ligt zijn hart niet. In 1948 wordt hij aangenomen als organist van de Goede Vrijdagkapel in Den Haag en niet veel later in de Nieuwe Badkapel in Scheveningen. Onder zijn gehoor zitten soms koningin Wilhelmina, haar moeder Emma en dochter Juliana.

Beiaardier

In 1961 wordt hij ook nog benoemd tot beiaardier van het witte kerkje in Katwijk en in 1964 als vaste beiaardier van het Provinciehuis van Zuid-Holland. Als gastbeiaardier reist hij het hele land door. In 1968 keert hij wederom terug naar Fryslân, waar hij muziekdocent wordt op de muziekschool De Wâldsang in Achtkarspelen. Hij woont in Surhuisterveen, maar kan maar moeilijk wennen aan de Wâldsjers. In 1968 wordt hij tevens benoemd als vaste organist van de Goede Herderkerk in Hoogeveen. In die plaats krijgt hij een jaar later een baan als muziekdocent. Dat komt wel door toedoen van zijn vrouw die boos is omdat de school haar man aanvankelijk weigert vanwege zijn handicap.

In 1977 viert Hessel zijn veertigjarig jubileum als organist en in 1983 begeleidt hij zijn laatste dienst. Hij wordt dan onderscheiden met het gouden draaginsigne van de Vereniging van Kerkvoogdijen in Nederland. Hessel en Greetje verhuizen daarna naar de Achterhoek. Op 27 maart 1987 overlijdt hij in zijn slaap.

Nieuws

menu