De tentoonstelling over Jan Mankes in Museum Belvédère in Oranjewoud is groter uitgevallen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Ze geeft dan ook een behoorlijk overzicht van het werk van de kunstschilder

De tentoonstelling over Jan Mankes als schilder van dieren in Museum Belvédère in Oranjewoud kon vorig jaar niet doorgaan vanwege corona en werd een jaar uitgesteld. Vandaag opent die tentoonstelling dan eindelijk en ze is uitgebreider geworden dan aanvankelijk de bedoeling was.

Jan Mankes, Zelfportret met uil, 1911, olieverf op doek, 20,5 x 17 cm.

Jan Mankes, Zelfportret met uil, 1911, olieverf op doek, 20,5 x 17 cm. Collectie Museum Arnhem

Vorig jaar was het honderd jaar geleden dat Jan Mankes (1889-1920) in Eerbeek overleed. Daar was hij met zijn vrouw Annie Zernike vanuit Den Haag naartoe verhuisd omdat er tuberculose bij hem was geconstateerd, een volksziekte met toen nog een hoge mortaliteit. De boslucht van de Veluwe zou hem goed doen. Er was nog sprake van een verblijf in Davos, bekend van de kuuroorden, maar Mankes was te zwak voor de reis. Bovendien was het oorlog. De voedselschaarste ten gevolge van de oorlog had hem, die toch altijd al een zwakke gezondheid had gehad, geen goed gedaan. De boslucht baatte hem niet. Mankes werd hoe langer hoe zwakker en uiteindelijk bezweek hij aan de slopende longziekte.

Wonderwel overleefde hij in Eerbeek wel de Spaanse griep die wereldwijd veel slachtoffers maakte. Ironisch genoeg zaten we - en zitten we nog steeds - honderd jaar later in een vergelijkbare situatie door de coronapandemie. Dat betekende lockdowns met alle gevolgen van dien. De tentoonstelling die Museum Belvédère had gepland om de honderdste sterfdag van Jan Mankes te herdenken kon niet doorgaan. Die werd een jaar uitgesteld. Gelukkig kan de tentoonstelling nu wel doorgaan dankzij het lage aantal besmettingen van de laatste tijd.

Niet zo ongelukkig

Achteraf gezien was het museum niet zo ongelukkig met een jaar uitstel. Directeur Han Steenbruggen: ,,We hadden zo wat meer tijd om verder te speuren naar werken die binnen het thema van de tentoonstelling pasten. En dat heeft wat opgeleverd. Bovendien konden we nu enkele bruiklenen van Museum MORE exposeren. Museum MORE had vorig jaar tegelijkertijd met ons een tentoonstelling over Mankes. Ze hadden die werken toen zelf nodig. Nu konden wij ze krijgen. De tentoonstelling is dus groter uitgevallen dan we oorspronkelijk hadden gepland. Ook het bij de tentoonstelling verschenen boek is dikker geworden, omdat we meer tijd hadden.”

Hoewel Jan Mankes portretten heeft geschilderd en landschappen, waren voor hem dieren toch het belangrijkste onderwerp. Het moet een aangeboren liefde voor de natuur zijn geweest, want in de stedelijke omgeving waarin hij ter wereld kwam en opgroeide - Meppel en Delft, plaatsen waar zijn vader bij de belastingdienst werkte – zal er niet veel gelegenheid zijn geweest direct in contact te komen met de natuur. Er zijn getuigenissen dat Mankes al vroeg dieren hield. Zo hield hij kippen en een konijn op de zolder van het ouderlijk huis in Delft en nam hij vogels en vogelnesten mee van zijn wandelingen. Het waren zijn eerste ‘modellen’. Een van de eerste werken die hij verkocht was dan ook een schilderijtje van een steenuil. Toch is de verhuizing naar de stad Delft niet onbelangrijk geweest voor de vorming van zijn kunstenaarschap. Hij kreeg er deels zijn opleiding en leerde in het naburige Den Haag in het Mauritshuis de oude meesters kennen onder wie Carel Fabritius, de schilder van het beroemde puttertje.

Toen het gezin na de pensionering van zijn vader in De Knipe terechtkwam, was dat vanwege de landelijke omgeving en het nabijgelegen Oranjewoud een ideale plek voor een natuurliefhebber. Hij wandelde dan ook veel in de omgeving. Dat deed hij vaak met zijn excentrieke vriend Cornelis Gouma, volgens Annie ‘een grote elastische figuur, met lange krullende baard en dito haren’. De tochten werden op zondagmiddag gemaakt en daarbij vertelde Mankes enthousiast aan Gouma waar hij de afgelopen week mee bezig was geweest. Het schijnt trouwens dat Mankes iedere keer doodmoe thuiskwam, een teken van zijn zwakke gestel.

Mankes had een voorkeur voor vogels en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij vanuit die belangstelling ook een vogelspotter werd. Althans zo moeten we het wel interpreteren, want we lezen bij Rémon van Gemeren, auteur van de vorig jaar verschenen biografie Jan Mankes, schilder van tederheid , dat hij een Zeiss-verrekijker bezat. Later schafte hij zelfs een dure Argus aan. Net als Leonardo da Vinci vier eeuwen eerder, bestudeerde hij het gedrag en de vlucht van vogels, alleen deed Da Vinci dat met het blote oog.

Aan dieren geen gebrek

Je zou zeggen dat er aan dieren geen gebrek was in De Knipe. En dat was enerzijds ook zo. Als hij ze zelf niet vond dan brachten jongens uit het dorp hem wel vogelnestjes, eieren of dode vogels. Toch kwam een groot deel helemaal uit Den Haag. Daar woonde een bewonderaar van Mankes, de sigarenhandelaar Pauwels. Hij was een soort van mecenas voor hem. Hij voorzag Mankes niet alleen van materiaal om te kunnen werken, ook stuurde hij regelmatig levende onderwerpen voor zijn schilderijen en grafiek: dieren van allerlei soort. Dat kon variëren van vogels als een kip, kraai of valk tot geiten en vissen. Er was zelfs sprake van een aapje.

Toen er tijdens de Eerste Wereldoorlog een tekort aan vlees was, zond Pauwels hem schedels van dieren. Vaak kreeg Mankes meer dan hij aankon en soms weigerde hij dieren zoals een groene specht en een wielewaal die hij geen geschikte vogels vond om te schilderen. Daarentegen kon hij verrukt zijn van een witte kip of van een zwarte kraai die Pauwels zond. Vooral de kraai was meerdere keren onderwerp van een schilderij of houtsnede zoals op de tentoonstelling is te zien.

Het vervoer zal grotendeels per trein zijn gegaan of misschien ook wel per vrachtwagen. Mankes kon de zendingen zo’n beetje bij zijn huisadres in De Knipe afgeleverd krijgen, want de tram liep vlak langs het ouderlijk huis. Het zal een weinig aantrekkelijke reis voor de dieren in kwestie zijn geweest waarbij destijds waarschijnlijk amper bij het welzijn van de dieren is stilgestaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige dieren niet levend aankwamen. Een snoek en een baars, bestemd voor het aquarium dat Mankes had, overleefden bijvoorbeeld de tocht naar Eerbeek niet. Ook hier zond Pauwels veel te veel dieren en ook veel te grote. In een brief aan Pauwels sprak Mankes van zijn aquarium als ‘een bak gevuld als in een viswinkel’. De te grote vissen liet hij los in de vijver van de buurman.

Merkwaardig is dat ook de bekende witte geiten die Mankes schilderde van Pauwel afkomstig waren. Je zou denken dat die gewoon ‘inheems’ in de omgeving van Heerenveen wel voorhanden waren. In dit verband is een schilderijtje op de tentoonstelling erg aardig, want daarop staan twee geitjes afgebeeld die van Pauwel afkomstig waren. Het is een werk uit het begin van de periode in De Knipe. Het dook op tijdens de voorbereiding voor de tentoonstelling en was niet geëxposeerd geweest als de tentoonstelling vorig jaar gewoon was doorgegaan. Steenbruggen: ,,We wisten van het bestaan van het werk omdat het in de oeuvrecatalogus staat, maar de verblijfplaats was onbekend. Bij toeval hoorden we wie het in bezit had. Gelukkig was de eigenaar bereid het schilderij uit te lenen. En er kwamen uit hetzelfde bezit ook nog enkele werken op papier tevoorschijn. Alleen hierom al was dat extra jaar voordelig voor ons project. ”

Pierre Jansen

Behalve met de bruiklenen van particulieren en van Museum MORE, is Steenbruggen erg blij met de werken die uit Museum Arnhem afkomstig zijn. Arnhem heeft een belangrijke collectie werken van Mankes. Dat is gekomen door de collectie van mevrouw Van Beuningen-Eschauzier die zeventien schilderijen, elf grafische werken en vier tekeningen in haar bezit had van Mankes. Het museum verwierf de volledige collectie begin jaren zeventig. Dat is te danken aan Pierre Janssen die toen directeur was van het museum.

Hoe begeesterd hij was van Jan Mankes, herinnerde zich de kunstenaar René Jansen. Hij was begin jaren tachtig met enkele medestudenten van de kunstacademie naar Arnhem gegaan om het werk van Mankes te bestuderen. Helaas was alles na de tentoonstelling die in 1979 in Arnhem gewijd was aan de schilder, in depot opgeborgen. Pierre Janssen vond het zo sneu dat ze voor niets helemaal uit Groningen waren gekomen dat hij hen meenam naar het depot. Daar begon hij enthousiast over Jan Mankes te vertellen en vergat de tijd. ‘Nooit heb ik iemand ontmoet die zichzelf zo kon verliezen in zijn passie voor de kunst. Wat dat betreft lag hij heel dicht bij Mankes’, schreef René Jansen in Jan Mankes binnenbeeld in de ogen van tien hedendaagse kunstenaars . De slungelachtige, graatmagere Janssen, wiens uiterlijke kenmerken er mede voor had gezorgd dat hij, samen met zijn karakteristieke, enigszins spastische motoriek, toentertijd een televisie-icoon werd, zal ook in lichamelijk opzicht dicht bij Mankes hebben gestaan.

Zelfportret met uil

Arnhem bezit ook het bekende zelfportret met uil waarop duidelijk Mankes’ magere, hoekige gezicht is te zien. Door dat ziekelijke uiterlijk kwam het dat de dorpsjeugd in De Knipe hem maar eng vonden. Steenbruggen: ,,Geweldig dat we dat prachtige zelfportret eindelijk eens in Museum Belvédère kunnen tonen. Hetzelfde geldt voor het schilderij met het witte paard. Dat is heel lang in bruikleen geweest in Museum Arnhem tot de particuliere eigenaren het hebben teruggehaald. We zijn in contact gekomen met hen en het is dan fantastisch te horen dat je dat werk ook mag lenen.”

Het schilderij Wit paard op bouwland is gemaakt in 1917. Annie schreef in haar memoires dat Mankes in de zomer van dat jaar veel studie maakte van paarden. Het waren trekpaarden die stilstonden als de lading van de karren werden gelost op schuiten die in het Dierensche Kanaal lagen, niet ver van hun huis. Het was dé gelegenheid om ze te tekenen.

Steenbruggen: ,,Ook ben ik heel blij dat we een topstuk als de Zwarte kraai op berkenboom uit 1913 in de tentoonstelling hebben. Dat werk, ook afkomstig uit een particuliere collectie, is in jaren niet geëxposeerd geweest.”

,,Natuurlijk hebben we ook veel uit de eigen collectie maar uiteindelijk is er meer van buiten gekomen dan van binnen. We hebben niet alle werken met dieren van Mankes op de tentoonstelling, maar het is toch een behoorlijk overzicht geworden.”

Jan Mankes, de dieren en de ziel der dingen is tot en met 26 september 2021 te zien in Museum Belvédère in Oranjewoud. Het gelijknamige, tachtig pagina’s tellende boek, met veel prachtige kleurenreproducties, werd geschreven door Maarten van Doremalen en kost € 22,50.