Geneigd om een ‘tegenzijde’ te verdedigen. Nieuwe biografie schetst het leven van schrijfster Nine van der Schaaf (1882-1973) uit Terherne

Schrijfster Nine van der Schaaf (1882-1973) is tegenwoordig goeddeels vergeten. Als dochter van socialistische Friese ouders uit Terherne kwam ze na 1900 in contact met literaire kringen in Amsterdam rond Albert Verwey. Een biografie schetst nu haar leven.

Nine van der Schaaf

Nine van der Schaaf Foto: Beeld uit besproken boek

Rond 1900 begaven in Fryslân de eerste vrouwen zich voorzichtig op het pad van het Friestalige schrijverschap. Denk maar aan Simke Kloosterman, Jantsje Terpstra (‘Madzy’) en Sophie Fischer, alle drie daartoe aangezet door de eminence grise van de Friese literatuur in die dagen, Waling Dijkstra.

Een enkele vrouwelijke pionier was toen dit trio al voorgegaan. Trui Jentink bijvoorbeeld, die in het Nederlands had geschreven in het Friesch Volksblad, waarover ze na dood van haar man Oebele Stellingwerf ook de hoofdredactionele scepter had gezwaaid. En Sjoukje Bokma de Boer, die Friese kinderverhalen had gepubliceerd in het literaire tijdschrift van haar man Piter Jelles Troelstra; For Hûs en Hiem .

Weinig voorbeelden

Maar het mag duidelijk zijn dat Trijntje (‘Nine’) van der Schaaf (1882-1973) nog niet heel veel seksegenoten als voorbeeld kon hebben toen ze rond de eeuwwisseling haar literaire aspiraties ontdekte. Over haar is nu een biografie verschenen van Cornelie van Uuden, die eerder tekende voor onder meer een levensbeschrijving van De gezusters Van Vloten (2007).

Martha, Betsy en Kitty, dochters van de filosoof Johannes van Vloten, trouwden met respectievelijk Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verwey, allen uit de kring rond de Nederlandse literaire vernieuwingsbeweging de Tachtigers. Zo zal Van Uuden ook bij Van der Schaaf zijn uitgekomen, die later in Verwey een voorvechter zou vinden voor haar (veelal romantische en symbolistische) verhalen.


Zus en tante

Nine was de jongere zus van Thomas van der Schaaf, onderwijzer in Gorredijk en experimenterend dichter in het weekblad Sljucht en Rjucht van Waling Dijkstra. Ze was ook de tante van Sjoerd van der Schaaf, de latere journalist en geschiedschrijver van de Friese beweging. Nine en Thomas waren kinderen uit een Friestalig middenstandsgezin in Terherne, later in Akkrum, dat tot de kleine dorpsburgerij behoorde.

Vader was eerst timmerman in Terherne in een zaak die hij met een oudere broer dreef, totdat hij in 1888 met z’n gezin naar Akkrum vertrok om er aan De Kleef een kruidenierswinkel en later een brandstoffenhandel te beginnen. Het milieu was doopsgezind en sterk op het socialisme georiënteerd.

Vader was een serieuze doener, politiek zeer betrokken en een fervent bewonderaar van Multatuli. Moeder was een schipperskind dat ooit in de ‘grote stad’ Leiden een jaar in de huishouding van de doopsgezinde predikant Christiaan Sepp had gediend.

‘Een beetje anders’

Van jongsaf aan voelde Nine zich volgens haar biograaf ‘een beetje anders (..) dan de meeste kinderen in het dorp’. Dat maakte ‘dat ze zich vaak angstig en eenzaam voelde’. Terwijl broer Thomas voor onderwijzer mocht leren, zat dat er voor Nine – die op de lagere school eveneens goed had kunnen meekomen – in eerste instantie niet in. Op dit gebied werd vaak geluisterd naar de adviezen van de dorpsonderwijzer. Die oordeelde dat het ‘voor een meisje toch ook maar ’t beste was om in de huishouding te gaan’.

Zo geschiedde. Na bemiddeling door de predikant van Akkrum verhuisde Nine in 1899 op zeventienjarige leeftijd naar Den Haag. Daar vond ze een betrekking als ‘tweede meisje’ bij een standsbewuste weduwe, mevrouw De Fremery-Hisser, die haar niettemin in staat stelde om naast het huishoudelijke werk particuliere lessen voor het onderwijzersexamen aan de Rijksnormaalschool te volgen. Ze haalde de akte in 1901.

Met broer Thomas correspondeerde ze in deze tijd vaak over religie en filosofie. Volgens haar biograaf had ze een hang naar ‘objectiviteit’ en begon ze zich te interesseren voor vragen rond goed en kwaad.

Als een dominee stelde dat het goede altijd sterker was dan het kwade, dan hield zij vol dat je dat niet zo zeker kon weten. ‘Ik heb trouwens later altijd neiging gehad een “tegenzijde” te verdedigen’, schreef Nine in haar memoires, ‘in de illusie dat je daarna pas iets wezenlijks zou kunnen doen voor wat je ’t naast lag.’

‘Goed, groot en duidelijk’

Na weer een periode bij haar ouders te hebben gewoond, trok ze in 1905 naar Amsterdam. Daar kwam ze in contact met een kring van maatschappelijk werkers, ‘vlotte Amsterdammers’, werd lid van de SDAP en kreeg financiële hulp van de filantroop Christian Wilhelm Janssen die fortuin had gemaakt met het leiden van plantages op Sumatra.

Zo kwam een eerste verhaal van haar onder ogen van de bekende dichter Albert Verwey, die haar erover schreef: ‘Ik heb uw verhaal gelezen en wensch met u te spreken over de uitgaaf. Het werk heeft mijn volle sympathie: het is goed, groot, en duidelijk.’

Vanaf nu was ze schrijfster. Na 1900 hanteerden steeds meer vrouwen de pen. ‘Niet alleen steeg het aantal vrouwelijke schrijvers’, noteert Van Uuden, ‘maar (er werd) ook werk van vrouwen met een beduidend hogere kwaliteit gesignaleerd. In de belangrijkste literaire tijdschriften werden in deze periode romans besproken van ruim honderd vrouwen. Daaronder bevond zich ook het werk van Nine van der Schaaf.’

Tbc

Leven van de pen lukte evenwel niet; later zou ze steeds financieel worden ondersteund, onder meer door het Tollens-fonds, het Kloos-fonds en door de weduwe van Albert Verwey. Een betrekking als onderwijzeres op Ameland (1908-1911) moest ze opgeven omdat ze tbc had opgelopen. In de jaren daarna verbleef ze in het Zwitserse Montreux om te kuren. Na terugkeer publiceerde ze onder meer haar jeugdherinneringen aan Fryslân, getiteld Friesch dorpsleven uit een vorige tijd (1921; in 1936 herdrukt als Heerk Walling ).


Aan literaire waardering in kleine kring ontbrak het haar niet. Haar proza werd geprezen door onder meer Menno ter Braak, haar gedichten door Hendrik Marsman en Victor van Vriesland. Ze gold als een belangrijke vertegenwoordiger van het symbolisme. Een fragment uit haar bundel Het onzichtbare (1929), van het gedicht De reizigers , illustreert haar zachte en vaak wat geheimzinnige toon:

En in het nachttij ben ik vrede, zei de stem,

En al mijn bloemen slapen op het veld,

Ik doe de onrust slapen in het hart,

Ik doe het aardsche wijken van de leden,

En zachter deint de vloed die mij bestrijkt (..).

Maar zo dromerig als ze schreef, zo radicaal lijkt ze in haar politieke keuzes. In de jaren twintig ontwikkelde Nine sympathie voor het communisme; in 1925 werd ze lid van de Communistische Partij Holland. Niettemin bleek ze in de jaren dertig niet ongevoelig voor de nieuwe retoriek vanuit het ‘herrijzende’ Duitsland (zoals zoveel teleurgestelde socialisten en communisten in die tijd).

Adriaan Venema rekende haar in zijn controversiële reeks Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie (1988-1992) tot de ‘kleine collaborateurs’. Ze had zich aangemeld bij de Kulturkammer , kreeg in de oorlog schrijversbeurzen en publiceerde bij de gelijkgeschakelde uitgeverij Querido. Na de oorlog is ze overigens niet door commissies of tribunalen ter verantwoording geroepen.


Het kwade ‘als instrument’

Van Uuden verklaart haar positie door erop te wijzen dat ze al vóór 1933 veel verwachtte ‘van de rol van Duitsland bij de geestelijke vernieuwing van Europa’. ‘In een van haar “Gedachten” rechtvaardigde ze de machtsgreep van Hitler in Duitsland met de typische Nine-idee dat het kwade – in casu Hitler – soms door de “wereldwil” als instrument werd gebruikt om het goede te bewerkstelligen’.

De biografe zou niet graag zien dat Nine’s leven gereduceerd wordt tot dat ene aspect. ‘Nine van der Schaaf was (..) veel meer dan dat.’ Na de oorlog sloot ze zich aan bij de PvdA en het Humanistisch Verbond. Er werd – tot aan Venema – over haar pro-Duitse sympathieën nauwelijks meer gesproken.

Oorspronkelijk

‘Deze dichteres was een van de eigenzinnigste en oorspronkelijkste mensen, die ik gekend heb’, schreef Mea Nijland-Verwey, dochter van Albert Verwey, in een In memoriam. Nine zelf dichtte in 1919: ‘Menschen beklemden en ontrustten mij, ik wist / De weg niet in de sfeer van mijn gezellen / En van hun dagen schuwd’ ik d’eindeloze herhaling, / Nochtans begeerd’ ik soms te leven in hun zijn, / Het leek eenvoudig en het was mysterie.’

Sheherazade van ’t neevlig Noorden. Nine van der Schaaf (1882-1973) door Cornelie van Uuden, uitgegeven door Uitgeverij Wijdemeer, 35,00 euro