Schilder Ype Wenning (1879-1959) uit Leeuwarden zocht artistieke verdieping In Italië, maar vond zijn eigen stijl in het Hollandse landschap

Ype Wenning lijkt geboren voor een carrière in de nijverheid, maar talent en vurige ambitie brengen hem uiteindelijk tot aan de diepste afgronden van de kunst. De Leeuwarder schilder reist door Italië op zoek naar zijn eigen stijl.

Ype Wenning en de reizen die hij maakte.

Ype Wenning en de reizen die hij maakte. Illustratie: Gert-Jan Veenstra

Ype Heerke Wenning wordt op 26 september 1879 geboren in Leeuwarden als jongste en laatste zoon van de kalligraaf Johannes Wenning en Jantje Tiedes Scharder. Zijn twee oudere broertjes hebben niet lang mogen leven. Ype groeit op aan de Noordersingel, waar Wenning senior een atelier voor heraldiek en kalligrafie bestiert. Tussen zijn dertiende en zestiende krijgt de jonge Leeuwarder tekenonderwijs aan de Ambachtsschool bij Jan Bubberman die later ook Piet van der Hem en Germ de Jong lesgeeft.

Ype vertrekt naar Amsterdam en vindt een stageplek bij decoratieschilder Gerrit Hendrik Heinen, die de wandschilderingen op het Centraal Station heeft gemaakt. Voor Wenning is dat niet genoeg. In 1899 gaat hij in de leer bij de Duitse decorontwerper Andreas Sommer (1854 - 1953) die gevestigd is in Wassenaar. Daar ontmoet hij ook zijn aanstaande echtgenote Maria Bloemer, met wie hij in 1901 trouwt. In de avonduren volgt de jonge kunstenaar lessen aan de Haagse academie in de klassen voor portret- en naaktschilderen.

Haagsche Schetsclub

Wanneer in 1902 zoon Johannes geboren wordt, heeft Wenning zijn weg in Den Haag gevonden. Samen met schilder Willem Witjens en grafisch ontwerper Jac. Bodaan is hij medeoprichter van de Haagsche Schetsclub. Wenning werkt hoofdzakelijk op het snijvlak tussen kunst en nijverheid. In 1905 begint hij samen met zijn vader een goedlopend atelier voor zowel heraldiek en kalligrafie als illustraties en toneeldecors in de Schoolstraat in Den Haag.

Naast zijn vele werkzaamheden is Ype Wenning altijd blijven schilderen. Dat gaat hem zo goed af dat hij in 1911 de jaarlijkse Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst krijgt toegekend. Aan deze prijs - die tot op heden bestaat - is een subsidie verbonden waarmee de winnaar zich kan richten op zijn of haar artistieke ontwikkeling. De berichten over zijn eerste solotentoonstelling bij Kunsthandel Esher Surrey in Scheveningen zijn bemoedigend; kennis en kunde zijn aanwezig, hoewel de dromerigheid in zijn schilderijen een beetje gemaakt aandoet.

‘Tamelijk banaal’

In 1914 reist Wenning door Italië, op zoek naar verdieping van zijn kunstenaarschap. Wat de grote doorbraak had moeten worden, wordt in de Leeuwarder Courant afgedaan als ‘weeke pseudo-romantiek’. Algemeen Handelsblad schrijft in 1916 over zijn Italiaanse schilderijen als ‘herinneringen aan ruischende tuinen, waarin, onder de gesluierde zon, rijk-gekleede vrouwen koelte zoeken bij een zilveren fontein [...] jonkvrouwen laten [...] zich roeien door een verliefden gondolier. Al dat romantische gedoe is op de schilderijen van Wenning tamelijk banaal.’

Ondanks tegenvallende kritieken, houdt de schilder moed. Hij verlegt zijn werkgebied weer naar Nederland. Met name rondom Oudewater en Giethoorn en ook wel in Limburg en Fryslân. Zowel in 1918 als in 1919 gooit Wenning hoge ogen tijdens de ledententoonstellingen van kunstenaarsgenootschap Pulchri Studio.

Het harde werken heeft impact op zijn privéleven. Wenning en zijn vrouw laten zich in 1918 scheiden. Zijn tweede huwelijk uit 1923 houdt nog geen drie jaar stand. In hetzelfde jaar als de scheiding, trouwt hij voor een derde keer, nu met de 21-jarige Geertruda van Dijk. Professioneel gezien gaat het de kunstenaar voor de wind: zo maakt hij als eerste schilder schetsen vanuit een KLM-vliegtuig, werkt hij in Fryslân met zijn vriend Egnatius Ydema, heeft hij een tentoonstelling in Parijs en wordt hij bestuurslid van Pulchri Studio.

Kultuurkamer

In 1939 organiseert Wenning een succesvolle tentoonstelling met mede-Friezen Piet van der Hem en Ids Wiersma ter ere van het veertigjarig jubileum van de Haagse vereniging Rjucht en Sljucht voor Friezen in Holland. Het is de laatste keer dat de schilder aan de goede kant van het volk staat. Een jaar later wordt hij lid van de NSB. Tijdens de oorlog is Wenning een van de schilders die gerekend wordt tot de ‘harde kern’ van exposanten van tentoonstellingen georganiseerd door de Kultuurkamer van de nazi’s.

De tijd lijkt de wonden te helen en in 1954 besteden de kranten ruimschoots aandacht aan de vijfenzeventigste verjaardag van ‘één der oudste vertegenwoordigers van de Haagsche School’, aldus de krant Het Vaderland . De schilder overlijdt op 11 september 1959 in zijn woonplaats Wassenaar. Ids Wiersma staat een maand later, tijdens de opening van de tentoonstelling Het Friese Boek in Den Haag stil bij de overleden schilder, van wie enkele werken in de zaal aanwezig zijn. In 1974 wordt Ype Wenning kortstondig uit de vergetelheid ontrukt tijdens de tentoonstelling Drie Friese Landschapschilders in het Coopmanshûs (nu Museum Martena) in Franeker, waar hij de expositieruimtes deelt met Egnatius Ydema en Johannes Elsinga.

De zomerserie Reizende schilders belicht Friese schilders die in het verleden inspiratie zochten over de grens.