Reizende schilders: Germ de Jong was de buurman van Picasso

Germ de Jong leeft een schildersleven als in een jongensboek; hij slentert met Simon Carmiggelt langs de Amsterdamse grachten en heft het glas met Pablo Picasso in Parijs. Uiteindelijk vindt de schilder zijn favoriete bestemming toch in Fryslân.

Gerben ‘Germ’ de Jong wordt op 8 maart 1886 in Sint Jacobiparochie geboren als enige zoon van koopman Dirk de Jong en Froukjen Landstra. Het gezin verhuist al snel naar Raard en vestigt zich later in Leeuwarden. Tijdens een strenge vorst in de winter van 1890 bevriest de vracht aardappelen van De Jong senior. Dat betekent een financiële strop die het gezin uit Fryslân en naar Amsterdam doet vertrekken.

De reizen van Germ de Jong. Illustratie: Gert-Jan Veenstra

In de hoofdstad dromen vele jongens van een carrière als kunstschilder, geïnspireerd door de beroemde schilders van Tachtig onder aanvoering van Breitner. De jonge Fries is één van hen, maar zijn vader heeft andere plannen. Op zijn twaalfde vindt hij zijn eerste baantje in een Amsterdamse fabriek.

Krabbelen

Wanneer hij vanwege malaria in het ziekenhuis belandt, ziet een oplettende arts het talent van de jonge patiënt die almaar met een potlood zit te krabbelen. Naar zal blijken is deze bevangen door een ander soort virus, dat nooit meer te behandelen zal zijn.

Om de kost te verdienen heeft hij allerhande baantjes, van loopjongen in een apotheek tot decoratieschilder. Kunstenaar worden is het doel

Zonder medeweten van zijn vader doet De Jong toelatingsexamen aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus; een bekende onderwijsinstelling voor minder welgestelde, jonge tekenaars. Om de kost te verdienen heeft hij allerhande baantjes, van loopjongen in een apotheek tot decoratieschilder. Kunstenaar worden is het doel, daar moet alles voor wijken.

Lees ook: Reizende schilders: Siebe ten Cate stierf onder verdachte omstandigheden in Parijs

De Jong schrijft zich achtereenvolgens in aan de kunstacademies van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, maar nergens blijft hij lang. Het officiële kunstonderwijs past hem niet, het leven roept. Hij zwerft tot aan de Eerste Wereldoorlog door Duitsland, waar hij werkt in Berlijn en Düsseldorf.

In 1918 heeft De Jong zijn eerste solo-tentoonstelling bij kunsthandel Herman d’Audretsch in Amsterdam. Een groot succes. Binnen tien dagen is alles uitverkocht. Als hij ook nog de Willink van Collen aanmoedigingsprijs voor jonge kunstenaars wint, is zijn naam definitief gevestigd. En wat doen gevestigde namen in die tijd? Ze nemen de wijk naar Parijs, want daar gebeurt het.

Vaste gasten

De Jong woont samen met zijn (tweede) vrouw en dochter in Montmartre. Picasso is er zijn buurtgenoot en de beide heren heffen weleens het glas. Met de Nederlanders Piet Mondriaan, Jos Croin en Conrad Kickert behoort de schilder tot de vaste gasten tijdens de soirees in het chique appartement van de bankiersfamilie Pierson, aan de voet van de Eiffeltoren.

De Jong geniet met volle teugen in Parijs, maar de liefde gedijt minder onder de Franse zon. In 1933 keert het gezin, nu uitgebreid met een zoon en nog een dochter, terug naar Nederland. Zij vestigen zich in Bergen en kort daarop in het nabijgelegen Schoorl. In de bossen nabij de Noordzee treft De Jong de schilders van de Bergense School. Hij probeert zich een beetje koest te houden en specialiseert zich in een huiselijk thema: kleurrijke bloemstillevens. Toch strandt in 1936 ook zijn tweede huwelijk.

Na de oorlog bouwt De Jong verder aan zijn oeuvre, dat naast de invloeden uit zijn Parijse en Bergense periodes ook de sporen van zijn reizen weerspiegelt

Een jaar later ontmoet hij de naaldkunstenares Tonny de Kruijff. Totdat de Duitsers het gebied in 1942 evacueren wonen zij samen in de duinen aan de rand van Schoorl. Het stel komt in Amsterdam ongeschonden de oorlog door en vindt een nieuw onderkomen in een statig pand aan de Staalstraat. Ex-vrouw Elise de Jong-van Biema wordt in de winter van 1945 in Auschwitz vermoord.

Lees ook: Reizende schilders: Sipke van der Schaar ging op een kameel door de woestijn

Na de oorlog bouwt De Jong in Amsterdam gestaag verder aan zijn oeuvre, dat naast de invloeden uit zijn Parijse en Bergense periodes ook de sporen van zijn reizen naar Marokko, Spanje en Corsica weerspiegelt. Als de kunstenaar niet werkt, struint hij langs de grachten met zijn vriend, de schrijver Simon Carmiggelt, of hij drinkt in de sociëteit van kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae.

Hwat bûge kin

Bij thuiskomt leest hij op het bordje onder de schouw steevast de tekst ‘Hwat bûge kin, sil net brekke’. Hoewel De Jong nooit Fries leerde spreken, heeft hij zich altijd Fries gevoeld en ook veel in zijn heitelân gewerkt. De schilder brengt zijn zomers steevast door op Ameland, waar hij logeert in hotel Hofker in Nes. Rekeningen worden betaald met schilderijen.

Uiteindelijk kost zijn uitbundige levensstijl Germ de Jong zelfs zijn huis en zijn laatste geld

Het leven heeft De Jong veel gegeven én afgenomen. Uiteindelijk kost zijn uitbundige levensstijl hem zelfs zijn huis en zijn laatste geld. Op zijn tachtigste verjaardag eert de VARA ‘de laatste bohémien’ met een uitgebreid portret. Germ de Jong overlijdt ruim een jaar later op 11 april 1967 in zijn woonplaats Overveen, nabij Amsterdam. Zijn derde vrouw en de kunst zijn tot het einde bij hem gebleven.

In de serie Reizende schilders belicht het Friesch Dagblad Friese schilders die in het verleden inspiratie vonden over de grens

Reizende schilders: Theo Molkenboer schilderde portret van de Amerikaanse president

Molkenboer senior wordt in 1881 directeur van de Rijks Normaalschool voor Tekenonderwijs in Amsterdam. Het groeiende gezin - er zullen veertien kinderen geboren worden - verhuist richting de hoofdstad. Theo voltooit ondertussen zijn middelbare schoolopleiding aan het seminarie van Rolduc. Maar het geestelijk leven is niet zijn ding.