Op weg met kringlooplandbouw, een tussenevaluatie

Anderhalf jaar nadat minister Schouten haar visie op kringlooplandbouw gaf, evalueert onderzoeker Roel Jongeneel de stand van zaken. In de uitwerking zit een goede richting, zegt hij, maar er mist een beeld van de invloed op de wereldhandel.

Kringlooplandbouw is volgens minister Carola Schouten een vorm van landbouw die toekomstbestendig is.

Kringlooplandbouw is volgens minister Carola Schouten een vorm van landbouw die toekomstbestendig is. Foto: ANP

De start van minister Carola Schouten (ChristenUnie) was veelbelovend en maakte zelfs wat enthousiasme los. De ellende van invoering van de fosfaatquotering was achter de rug. Met kringlooplandbouw zou de toekomst er positief uit zien.

Er is weer een eigen ministerie, een lang door de landbouw gekoesterde wens, met een nieuw inspiratiewoord: kringlooplandbouw. Niemand wist toen nog goed wat het was, maar het klonk nieuw en goed. En Schouten trad de sector met een open luisterhouding tegemoet. Verder formuleerde ze evenwichtig, zodat niemand op de tenen werd getrapte. Er was een rimpeling rond fraude met veeopgaves en een gezamenlijk gevoeld ongenoegen door de afwijzing van de pulsvisserij door een onbegrijpelijke Europese Unie. Maar de minister stond daarbij aan de kant van haar vissers en boeren. Inmiddels is er veel veranderd en is door het stikstofdossier de spanning tussen beleid en sector hoog opgelopen.

De kern van de op 8 september 2018 verschenen visie Waardevol en verbonden is de omschakeling naar kringlooplandbouw. Deze wordt nodig geacht om tot een toekomstbestendige landbouw te komen. Het is een omschakeling ‘waarin niet druk op de kostprijs van producten leidend is, maar het streven naar voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen en vermindering van de druk op de leefomgeving’. De landbouw als economische activiteit moet op twee manieren ingebed zijn: sociaal-economisch en ecologisch. Wie goed luistert, hoort hier de trits people, planet, profit. Het gaat de minister niet om een blauwdruk, maar om een oriëntatiepunt voor ,,een collectieve zoektocht naar een economisch en ecologisch vitale productiewijze en een voedselsysteem dat waardevol en gewaardeerd voedsel voortbrengt”. Het gaat dus om ‘volhoudbaar’, duurzaam dus, om besparing van grondstoffen en om het terugdringen van de milieubelasting.

Schouten hanteert een meetlat, een lijst van negen doelstellingen. Alle beleidsvoornemens, plannen, voorstellen en dergelijke worden hieraan getoetst. Voldoen ze aan een of meer doelstellingen dan passen ze in het kringlooplandbouwmodel.

Grote uitdagingen

Er vallen een paar dingen op: allereerst geeft de lijst veel zaken aan die niet direct met het sluiten van kringlopen te maken hebben. De minister bedoelt met kringlooplandbouw dus een breder en integraler geheel dan het letterlijk sluiten van kringlopen. Daarmee wijkt het minder af van de verduurzaming van het gemeenschappelijk Europese landbouwbeleid (GLB), dan men zou denken. Nederland noemt het heel anders, maar daarmee is het nog niet helemaal anders. Voor sommigen, die op iets revolutionairs hadden gehoopt, valt dat misschien tegen. Ik ben er blij mee omdat er op meerdere sporen vooruitgang moet worden geboekt. Het is daarom ook goed dat Schouten biodiversiteit en dierenwelzijn bewust direct meeneemt. Dat de nieuwe Europese Commissie met haar Europese Green Deal dat ook wil gaan doen, komt dan alleen maar goed uit.

De vraag is wat redelijk is, heeft de politiek zich in het verleden niet altijd voldoende gesteld

In de tweede plaats wordt een aardige waslijst aan punten genoemd, maar wordt niet veel gezegd over onderlinge verhoudingen en prioriteiten. Maar die zijn er wel degelijk, al was het alleen maar omdat Nederland zich via verdragen en overeenkomsten met Brussel tot een aantal zaken heeft verplicht. In die zin zijn milieu- en klimaatpunten dwingend. Het sluiten van kringlopen helpt daar bij, maar is dan misschien meer een middel dan een doel. Wat er nu rond stikstof is gebeurd, heeft een ieder nog eens op hardhandige wijze met de neus op de feiten gedrukt.

De stikstofproblematiek heeft, in de derde plaats, ook duidelijk gemaakt dat er hoge kosten aan het behalen van de doelstellingen verbonden kunnen zijn. De vraag is wat redelijk is. Die vraag heeft de politiek zich niet altijd voldoende gesteld. Rond landbouw, natuur en milieu zijn, als het gaat om de doelstellingen, nooit fatsoenlijke kosten-batenanalyses uitgevoerd. Daarmee komen we soms ineens voor ‘verrassende afwegingen’ te staan. De overheid moet proberen te leren van fouten en niet, om gezichtsverlies te voorkomen, vasthouden aan eerdere keuzes waarbij zorgvuldigheidsvereisten niet voldoende in acht zijn genomen. De minister doet haar best geld vrij te spelen om de landbouw te helpen de transitie te maken: positief, maar er is meer nodig voor draagvlak.

Realisatieplan

De visie is inmiddels opgevolgd door het op 17 juni vorig jaar verschenen realisatieplan Op weg met nieuw perspectief . Het realisatieplan is opgesteld aan de hand van drie vragen: Wat betekent kringlooplandbouw in de praktijk? Welke perspectieven kan het bieden voor de agrarische sectoren en de visserij? Hoe voldoen we aan de randvoorwaarden? Bij elk van deze vragen geef ik een reflectie.

Ten eerste, zoals het bij eurocommissaris Sicco Mansholt ging om ‘nooit meer honger’, is bij kringlooplandbouw het adagium ‘minimale belasting van de leefomgeving’. De betekenis voor de praktijk wordt via een aantal thema’s nader aangegeven. Gewezen wordt op de noodzaak beter met de bodem om te gaan en meststoffen en veevoer meer te verbinden en daarmee plantaardige en dierlijke productie meer in een kringloop te brengen. Onder het kopje ‘samenwerking in de regio’ worden in het plan enkele regionale cases (vijf regiodeals), pilotprojecten en experimenteer-ruimten benoemd. De minister maakt niet alleen gebruik van wetenschappelijke kennis en hulp, maar wil ook gebruik maken van veelbelovende praktijkvoorbeelden, met praktische ervaringskennis en ondernemersgedrevenheid.

Dat laatste is heel positief, al is het goed er gelijk een kanttekening bij te maken: zorg er voor dat er iets wordt geleerd van al het moois dat nu even zijn kans krijgt. Living labs zijn bijvoorbeeld niet altijd ‘opschaalbare kant-en-klaar-oplossingen’.

Ten tweede, bij de bespreking van de perspectieven wordt een sectorale aanpak gevolgd. Bij de veehouderij ligt het accent op meer waardering voor duurzame producten. Bij de akkerbouw (open teelten) gaat het over weerbare planten- en teeltsystemen. Bij de glastuinbouw is de focus klimaatneutraliteit en rendabele teelten. Ten slotte wordt het agrarisch ondernemerschap genoemd. Daarvan wordt veel gevergd om de transitie te maken. De minister vindt dat banken, dienstverleners, toeleverende en verwerkende industrie ‘moeten meedenken’ met de agrariërs en hen moeten stimuleren en faciliteren om de omslag te kunnen maken. Ook het ministerie wil daarin investeren, onder meer door een grondbank waarmee boeren letterlijk meer grond onder hun bedrijf krijgen.

Ten derde, bij het op orde krijgen van de randvoorwaarden wordt het verdienvermogen als eerste genoemd, direct gevolgd door kennis en innovatievermogen. Bij verdienvermogen wordt erop gewezen dat een aantal boeren al nieuwe verdienmodellen heeft uitgevonden. Zij zijn voorbeeldig, maar wat in het klein lukt, werkt niet altijd in het groot. Uiteindelijk is kringlooplandbouw niet alleen iets van de kopgroep, maar moet ook het hele peloton mee.

Taskforce Verdienvermogen

Het realisatieplan verwijst naar de Taskforce Verdienvermogen, een commissie die moest kijken hoe bij de kringlooplandbouw een redelijk inkomen kan worden verdiend. De commissie heeft haar ei inmiddels gelegd met het rapport Goed boeren kunnen boeren niet alleen ). Ik heb de indruk dat dit rapport niet zonder een zekere teleurstelling is ontvangen. Het win-winverhaal, dat men bij de lancering van de visie voor ogen had, blijkt lastig. Dat is het ook. Ik vind het al met al best een goed rapport geworden en denk dat het écht een goede richting wijst en nadere uitwerking verdient.

De Taskforce maakt gebruik van twee kernprincipes. Het eerste is om boeren een handelingsperspectief te geven via zogeheten dashboards. Met behulp van zo’n dashboard kan de boer precies zien hoe hij scoort op de kringloopprincipes en emissies. Het moet hem de handvatten bieden om via veranderingen in management en ondernemingsopzet zijn score te verbeteren. Het tweede principe is dat van beprijzing. Eigenlijk wordt hier een van de basisprincipes vanuit de milieueconomie van stal gehaald. Dat zegt dat externe effecten in de prijzen moet worden verrekend. Normaal is dat niet het geval en daardoor ontstaat een vertekend beeld bij het nemen van ondernemersbeslissingen. Het gevolg kan zijn dat er te veel wordt vervuild en te weinig ‘groene diensten’ worden voortgebracht.

Ik denk dat de ‘principe-combi’ die de Taskforce voorstelt een goede is. Het maakt kringlooplandbouw een stuk concreter en kan helpen als ondernemer plannen te maken. Wel verdient het nadere uitwerking. Ik hoop dat het rapport niet, zoals bij de kilometerheffing en rekeningrijden, te vroeg komt en in een bureaula verdwijnt. Dat zou een gemiste kan zijn.

Internationaal

Nederland is een groot exporteur en importeur van landbouw- en voedselproducten. De huidige landbouw is ondenkbaar zonder intensieve internationale handel. Van meet af aan is dit thema wat vaag gebleven in de plannen. In het realisatieplan wordt gezegd dat men duurzame handel wil bevorderen. Dat lijkt best een uitdaging, maar is altijd goed om te doen. Ik zie dat vooral als een vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen waarbij je bijvoorbeeld alleen gecertificeerde duurzame soja uit het Amazone-gebied importeert.

Het zwakke punt is dat internationale handel daarmee nog onvoldoende met het idee van de kringlooplandbouw wordt verbonden. Sommigen komen nu met allerlei eigen invullingen, waarbij ‘Nederland zelfvoorzienend’ zo ongeveer het meest naïeve voorbeeld is. Het ministerie zou hier een verdere visie op moeten ontwikkelen. Ik begrijp dat dit ‘politiek gevoelig’ kan zijn. Maar als dit niet wordt gedaan, creëert dit een grote onbepaaldheid. De positiekeuze ten aanzien van de rol van de handel is uiteindelijk medebepalend voor de beantwoording van de vraag welke landbouw we nu in de toekomst in Nederland willen hebben.

Door kringlooplandbouw als sleutelwoord voor haar visie te kiezen, heeft Schouten verduurzaming van de landbouw als hoofdthema gekozen. Niemand kon aan het begin van haar ministerschap voorzien dat de zaak na een paar jaar zo op spanning zou komen te staan en de boeren massaal de straat op zouden gaan. Dat stelt hoge eisen aan haar stuurmanskunst, want het realiseren van kringlooplandbouw vergt medewerking vanuit de landbouw. Daarvoor is draagvlak nodig. Het is te hopen dat de gemoederen snel weer wat zullen bedaren en men het probleem voor nu in ieder geval tijdelijk kan oplossen om weer met de toekomst bezig te gaan. Want met heldere kaders, tijd en creativiteit is er veel mogelijk.

Dr. Roel Jongeneel is hoofdonderzoeker bij Wageningen Economic Research en universitair docent bij de Leerstoelgroep Agrarische Economie en Plattelandsbeleid van Wageningen Universiteit. Deze bijdrage is geschreven op persoonlijke titel en ook verschenen in Groen (het blad van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie)Dit artikel is onderdeel van een serie over transitie in de landbouw, volgende week aandacht voor aspecten die bepalend zijn voor een succesvolle transitie