Abraham Kuyper had geen oog voor de nood van de Hongaarse kerk, zijn dochter Henriëtte verontschuldigde zich voor de desinteresse van haar vader | Recensie

Tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog gingen de vensters bij de Nederlandse protestanten open. Dat was mede te danken aan contacten met Hongaarse geloofsgenoten, die in de problemen zaten.

Horthy op zijn witte paard, 16 november 1919.

Horthy op zijn witte paard, 16 november 1919. Foto: Wikimedia Commons

Zoals deze weken in veel Nederlandse kerken gecollecteerd wordt voor bijvoorbeeld de slachtoffers van de aardbeving in Haïti of de opbouw van kerkelijke structuren in Ghana, zo werd in 1920 in hervormde gemeenten gecollecteerd voor Hongarije.

Het was niet alleen een uiting van nauwe betrokkenheid van Nederlandse protestanten bij hun Hongaarse geloofsgenoten, maar ook een stap in het verruimen van de - tot dan toe - sterk naar binnen gekeerde blik, zo blijkt uit Maarten Aalders’ boek over Nederlandse en Hongaarse protestanten tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.

Horthy op een wit paard

De situatie in Hongarije was erbarmelijk, ook al leek dat oppervlakkig bezien in het najaar van 1919 nog anders. Admiraal Nicolaas Horthy reed op 16 november 1919 op een wit paard Boedapest binnen. De Eerste Wereldoorlog, voor Hongarije desastreus verlopen, was een jaar afgelopen. In het voorjaar was het land een communistische dictatuur geworden, maar in november verjoeg Horthy de communistische regering uit Boedapest. Zijn entree op het witte paard leek symbolisch. ‘Alsof hij zeggen wilde: de gouden tijden, de tijden van het oude koninkrijk Hongarije zullen herleven, een nieuwe tijd is aangebroken’, schrijft Aalders.

Maar de realiteit was anders: het koninkrijk Hongarije, onderdeel van de de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, viel tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog uiteen. Er was grote armoede, vijandige buren zoals Tsjechië en Roemenië aasden op stukken land. Het was een chaotische tijd, waarin allerlei Hongaarse hotemetoten en organisaties zich inspanden om de schade voor het land te beperken.

Telegram naar koningin Wilhelmina

De Hongaarse protestantse kerken stuurden in een wanhoopspoging een telegram naar onder meer koningin Wilhelmina en Nederlandse kerkleiders. Daarin vroegen ze aan hun Nederlandse geloofsbroeders om te helpen voorkomen dat Hongarije zou worden opgesplitst: ‘De mogelijke verscheuring van het land, inzonderheid het verlies van zuidoostelijk Hongarije met zijn twaalfhonderdduizend protestanten zou een doodelijke slag zijn voor deze kerken en zou daardoor de nieuwgevormde democratieën in dit deel der wereld berooven van de meest beteekenende en geestelijke krachten’, aldus het telegram.

Niet veel later kwam een delegatie van de Hongaarse kerken naar Nederland, om het verzoek om hulp kracht bij te zetten. Ze spraken onder meer met Abraham Kuyper, maar die ontmoeting liep uit op een teleurstelling, aldus Aalders: ‘Kort na aankomst hadden ze hem bezocht, maar ze bemerkten dat hij slecht geïnformeerd was over de situatie’.

Bavinck steunt de Hongaarse kerk

Herman Bavinck, hoogleraar aan de Vrije Universiteit, zette zich wel in voor de Hongaarse kerken: om een scheuring te voorkomen moesten ‘alle geoorloofde middelen’ worden ingezet, stelde hij in 1920 op de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In het voorgaande jaar had hij de zaak van de Hongaarse protestanten breed bepleit, wat onder meer resulteerde in een steunbetuiging die door alle Nederlandse protestantse kerken was ondertekend.

Aalders noemt het een opvallend moment van oecumenische samenwerking, ‘en dat nog wel op initiatief van de Gereformeerde Kerken, die doorgaans zeer terughoudend tegenover de oecumene stonden’. Het was daarmee aan Bavinck te danken dat er ‘ondanks de koninklijke en politieke onmacht toch nog iets gebeurde tegen de verbrokkeling van het koninkrijk Hongarije’, aldus Aalders.

Kindertreinen

Theoloog en historicus Aalders richt zich sinds 2016 op de relatie tussen Nederland en Hongarije gedurende het interbellum. Eerder publiceerde hij over de kindertreinen, waarmee op initiatief van Henriëtte Kuyper, de oudste dochter van Abraham Kuyper, tussen 1920 en 1930 zo’n 28.000 kinderen naar Nederland kwamen om aan te sterken. Het schijnt dat Henriëtte zich bij de Hongaarse delegatie nog heeft verontschuldigd voor de desinteresse van haar vader.

Zo ontwikkelde de relatie tussen Nederlandse en Hongaarse protestantse theologen zich tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Aalders brengt dat in dit boek nauwgezet in kaart. Daarbij laat hij op boeiende wijze zien dat de groeiende verbondenheid voor zowel de Hervormde Kerk als de Gereformeerde Kerken betekende dat de vensters werden opengegooid.

Nieuwe contacten leidden er toe dat de Hervormde Kerk zich in 1927 aansloot bij de Wereldbond van Hervormde/Gereformeerde Kerken. Voor de Gereformeerde Kerken was dat in die jaren nog een stap te ver, maar met de Hongaarse contacten ontstonden ook uitwisselingen met Noord-Franse protestanten en Duitse gereformeerden.

Nederlandse en Hongaarse protestanten in het interbellum. Maarten J. Aalders. Uitgeverij Vuurbaak. 27,99 euro

Het boek wordt vrijdag 10 september om 14.30 uur gepresenteerd in de Nieuwe Kerk te Kampen