Als Jezus niet God is, dan past hij bij de islam

Het beeld dat de Koran van Jezus geeft, staat mogelijk veel dichter bij het oer-christendom dan we denken. Dat is de these die valt af te leiden uit het boek ‘Jezus in christendom en islam’, van Eduard Verhoef.

Eduard Verhoef, Koran-vertaler, zoekt de dialoog tussen islam en christendom.

Eduard Verhoef, Koran-vertaler, zoekt de dialoog tussen islam en christendom. Foto: Shutterstock

Eduard Verhoef, theoloog en kenner van de islam, ziet een grote overeenkomst tussen het allervroegste christendom en de islam. Daarover schrijft hij in zijn bescheiden boekje - het telt iets meer dan honderd pagina’s - dat de titel Jezus in christendom en islam meekreeg.

Het punt van overeenkomst tussen die twee groepen - vroege christenen en moslims - is de weigering om Jezus als God te zien. Nu is dat van moslims wel bekend, maar van christenen? Als je niet bent ingevoerd in theologische discussies over de Bijbel, kan dit heel vreemd overkomen.

Je zou toch zeggen: als het christendom érgens om draait, is het wel de notie dat Jezus ‘Heer’ is. In het Grieks van het Nieuwe Testament heet Jezus de kurios , en precies dat Griekse woord gebruikten de Joden om de Hebreeuwse godsnaam te vertalen. Waarom dan afstand scheppen tussen Jezus en God?

Arabische versie

Het boek van Verhoef is een boek met een bedoeling. Hij wil een dialoog tussen christendom en islam naderbij brengen. Daartoe vergelijkt hij het beeld van Jezus in het heel vroege christendom met het beeld van Jezus in de islam. Daar zitten natuurlijk verschillen tussen. Maar de overeenkomst is sterker, vindt Verhoef.

Zozeer zelfs, dat in zijn ogen de islam ‘een Arabische versie’ is van de ‘joods-christelijke traditie’. Hij vindt steun voor die gedachte bij een enkele christelijke theoloog uit de zevende eeuw, die de islam als een variant op het christendom lijkt te beschouwen.

Verhoefs betoog wordt gestuurd door het verlangen islam en christendom dichter bij elkaar te brengen. Het meeste werk maakt hij van het christendom, waarin hij het accent legt op Jezus als een bijzondere profeet: een wetsleraar, die ‘zoon van God’ werd genoemd omdat hij op bijzondere manier trouw was aan de Thora. Bij vroege getuigen als Matteüs, Marcus en Lucas vinden we volgens Verhoef niets over Jezus als vertegenwoordiger van God of als God zelf. En wat daar wel toe neigt, moeten we qua betekenis afzwakken.

Jezus ‘groter’ maken

Het wordt anders als Johannes, decennia na de andere evangelisten, zijn evangelie schrijft. Dan blijkt Jezus op gelijke hoogte te staan met God: Jezus is van God afkomstig, Hij is zelf God. Maar, zegt Verhoef: dat is een latere ontwikkeling. Toen wilden de volgelingen van Jezus, in hun enthousiasme, hem ‘groter’ maken. Paulus zit ook op die lijn. Bij hem is Jezus ook veel meer dan een bijzonder mens.

Binnen het Nieuwe Testament zelf ziet Verhoef dus een duidelijke ontwikkeling. En zijn conclusie luidt: wat later komt, dat zijn verzinsels. De groep die daar niet aan meedeed, de ‘jodenchristenen’, beschouwt Verhoef als ‘oorspronkelijker’. Ze hielden zich aan de joodse wetten, en begrepen Jezus in die context. Dus als een wetsleraar, zij het een heel bijzondere.

Déze visie op Jezus zou tamelijk dicht bij de islam staan, betoogt Verhoef. In de Koran is Jezus geen God, en een goddelijke Drie-eenheid wordt er nadrukkelijk ontkend. Verhoef neemt deze ontkenningen over voor het christendom, en ziet dan de weg open liggen voor een dialoog met de islam.

Bijbelwetenschappen

Voor kerkgangers kan het bovenstaande een verbazingwekkend verhaal zijn. In liturgie en lied wordt Jezus als Heer beleden, met de veronderstelling: in Hem ontmoeten we God zelf. Maar wie thuis is in de Bijbelwetenschappen, herkent het betoog van Verhoef meteen. Het is een overbekende, al vaak vertolkte visie.

Dit geldt niet voor zijn uitleg over de islam en wat in de Koran over Jezus te vinden is: op dat punt heeft Verhoef wel wat te bieden, wat ook geldt voor zijn Uitleg bij de Koran , verschenen in 2017. Maar de theorie dat Jezus langzamerhand is ‘opgehemeld’ en dat zijn volgelingen hem zozeer bewonderden dan hij in hun ogen God werd - die theorie bestaat al heel erg lang. De kritische Verlichtingsdenker Reimarus, een achttiende-eeuwer, verkondigde reeds iets vergelijkbaars.

Er zijn exegeten die Verhoefs visie delen, maar het nieuwtestamentisch onderzoek heeft niet stilgestaan. Het is jammer dat Verhoef zich daar niet toe verhoudt. Dan blijft de exegetische reflectie in een groef hangen, wat tot herhaling leidt.

Interessant zou zijn om aandacht te schenken aan het werk van nieuwtestamentici als Richard Bauckham, Larry Hurtado en N.T. Wright, die observeerden dat ook in de heel vroege getuigenissen het verband tussen Jezus en God nauw is, zozeer dat het niet uit de lucht komt vallen dat de evangelist Johannes enige tijd later God en Jezus identificeert, in het befaamde eerste hoofdstuk van zijn evangelie.

Goddelijke status van Jezus

Nieuwtestamenticus Riemer Roukema heeft in zijn boek Jezus, de gnosis en het dogma (2007) laten zien hoe in de evangeliën al duidelijke claims te vinden zijn, deels impliciet, over de goddelijke status van Jezus. Zodat ook het latere dogma niet wezensvreemd is bij de Bijbelse getuigenissen.

Maar dit boek van Roukema gebruikt Verhoef niet bij zijn exegese. Dat is begrijpelijk, want hij wil die kant niet op. Maar exegese behoort niet alleen in dienst te staan van een vooraf gekozen doel. Je verhouden tot recente literatuur met een andere visie is overtuigender.

Dat Verhoef op basis van eigen afwegingen een beeld schetst van wie Jezus was, kan niemand hem betwisten. Maar voor zijn lezers zou duidelijker mogen zijn dat hij inderdaad specifieke keuzes maakt, waar ook heel andere mogelijkheden zijn.

Het onderliggende patroon bij Verhoef is het benadrukken van verschillen tussen de nieuwtestamentische auteurs, terwijl je ook het gemeenschappelijke in beeld kunt brengen. Dat zou zicht kunnen geven op een natuurlijke ontwikkeling in de decennia na Jezus’ kruisiging. Wat in aanleg bij Marcus aanwezig is, wordt gaandeweg explicieter. Niet pas bij Johannes, maar ook al in de teksten van Paulus - wiens teksten, zoals bekend, de oudste zijn van het Nieuwe Testament. Daar hoort ook de bekende Christus-hymne uit Filippenzen bij, waar Verhoef opvallend genoeg geen aandacht aan schenkt.

Paulus en Johannes

Tot slot, nog even terug naar de islam. Verhoef heeft veel op met de ‘jodenchristenen’, die Jezus vooral zagen als een heel bijzondere joodse wetsleraar, en daarmee komen ze in de buurt van de islam. Het is echter de vraag, wat die overeenkomst nu eigenlijk betekent.

De islam ontstond in de zevende eeuw, dus heel lang na het ontstaan van de geloofsbeweging rond Jezus van Nazareth. Dat een gedeeltelijke overeenkomst dan iets belangrijks zou betekenen voor het christendom, lijkt historisch weinig aannemelijk. Dan zaten Paulus en Johannes vele malen dichter bij de bron.


Jezus in christendom en islam. Eduard Verhoef. Uitgeverij Skandalon. 18,95 euro