EO-coryfee Andries Knevel heeft nog energie genoeg. Een gesprek over zijn passie als presentator, zijn geloofsontwikkeling en voetballen met de kleinkinderen

Hij is met pensioen maar toch ook weer niet. Nog altijd werkt Andries Knevel (69) twee dagen in de week voor de Evangelische Omroep, waaraan hij sinds 1978 verbonden is. Energie lijkt hij nog genoeg te hebben als hij een tv-programma als Andries of een radio-uitzending als Groot Nieuws presenteert. Maar hij moet zich in acht nemen, vertelt Knevel thuis in Huizen.

Andries Knevel.

Andries Knevel. Foto: Anton Dommerholt

In de ochtend is zijn stem niet zo best. En al fietsend door de Gooise bossen – 120 kilometer per week – moet hij werken aan de conditie van zijn longen. Het is de nasleep van een legionellabesmetting die de presentator eind 2016 in Bolivia opliep. Drie weken lag hij op de intensive care. Na een revalidatietraject kon hij gaandeweg weer aan de slag: als presentator in Hilversum en als voorganger tijdens zondagse preekbeurten.

Of hij sinds zijn ziekte anders leeft? „Niet echt”, zegt hij. ,,De grondtoon van mijn leven is gelijk gebleven; hooguit geïntensiveerd. Ik leefde altijd al in de wetenschap dat het leven eindig is. Je moet altijd klaar zijn voor de eeuwigheid. Klassieke woorden, maar de inhoud daarvan heb ik wel geleerd.”

Ook al heeft Knevel buitenshuis weer genoeg omhanden, hij geniet bewust van het huiselijke leven: als opa van vijf, als vader van drie, als echtgenoot van een kunstenares.

Opa Knevel voetbalt met zijn kleinzonen?

„Iedere week. Een van de jongens komt hier regelmatig. Dan halen we z’n twee neefjes op en gaan we naar het veldje in de buurt. Een feest. Na afloop rijden we naar Naarden om een ijsje te kopen. Daar ben ik geboren. En dan vertel ik. Ik ben nu eenmaal verhalenverteller van beroep.”

Hoe bent u als vader?

„Ik ben altijd een betrokken vader geweest. Al was het vroeger woekeren met de tijd, ik wilde niet de afwezige vader zijn. Op de belangrijke momenten was ik er. We hebben een mooi gezin. Vóór corona huurde ik elk jaar een groot huis in Italië, waar we met z’n allen naartoe gingen. Dit jaar lijkt dat ook weer te lukken.”

Dochter Marije is in de wereld van toneel en entertainment inmiddels een bekendheid. Hoe kijkt u daarnaar?

„Met veel interesse. Inmiddels vragen ze mij of ik haar vader ben. Terwijl zij altijd de vraag kreeg of ze een dochter van Andries Knevel is. Toen ze naar de CHE ging om journalistiek te studeren, hebben we haar daarvoor gewaarschuwd. We hebben haar zelfs geadviseerd de naam van haar moeder aan te nemen. Maar ze is trots op de naam Knevel.”

Uw vrouw, Rietje Bakker, is kunstenares. Wat hebt u zelf met kunst?

„Veel, als liefhebber. Ik ben opgegroeid met klassieke muziek, van Jan Zwart tot Bach. Mijn moeder was kerkorganist. Zij zat destijds in Naarden in de Grote Kerk als de Nederlandse Bachvereniging de generale repetitie van de Matthäus Passion had. Een kaartje voor de uitvoering was natuurlijk te duur. Nog steeds gaan mijn vrouw en ik graag naar het Concertgebouw of TivoliVredenburg. Zelf speelde ik vroeger orgel, nu hebben we een piano staan.”

En schilderen?

„Je moet mij geen penseel in handen geven. Dat wordt een drama. Maar ik kan erg genieten van schilderijen. En als Rietje een expositie moet samenstellen, zoals voor komende september in de Joriskerk in Amersfoort, maken we samen een selectie van haar schilderijen.”

Prominenten

Jarenlang was Andries Knevel een van de boegbeelden van de EO. Met name de talkshow Het Elfde Uur , die hij van 1992 tot 2009 presenteerde, maakte hem een bekende Nederlander. Vrijwel alle prominenten had hij in die jaren aan tafel.

Wat doet dat met een mens, zo veel bekendheid?

„Niet zo veel. Ik heb nooit sterneigingen gehad. En als ik die wel zou hebben vertoond, hadden ze dat hier thuis afgestraft. Ik heb het altijd heel sterk gerelativeerd; het is maar televisie. En met de wereld van het klatergoud eromheen heb ik nooit wat gehad. Ik woonde in Bussum, op fietsafstand van Hilversum, maar ging nooit naar party’s. Ik heb me altijd afzijdig gehouden van de wereld van glitter en glamour.”

Sommige mensen vinden u ijdel.

„Dat begrijp ik. Dat komt door het medium tv. Daar zit je nu eenmaal op een podium, in de schijnwerpers. En ja, visagie hoort daarbij. Heel erg zelfs. We hebben maar één keer iemand in de uitzending gehad die niet opgemaakt was: SGP-leider Bas van der Vlies. Het hoort erbij.”

Even later, als z’n vrouw thuiskomt: „Rietje, ben ik ijdel?” Zij: „Jij kijkt nooit in de spiegel. Ik moet je er nog op wijzen als je tandpasta op je gezicht hebt.”

Uw interviewstijl wekt bij mensen nog weleens irritatie op.

„Niet meer. Vroeger, in de tijd van Het Elfde Uur , was ik streng, gebruikte ik het vingertje, onderbrak ik mensen. Ik denk dat ik nu lieflijker met mijn gasten omga. In het programma Andries bijvoorbeeld wil ik laten zien hoe mensen hun weg met God gaan. Opbouwend, om kijkers moed te geven. En het radioprogramma Groot Nieuws is pastoraal van aard, onderhoudend. Daarbij ben ik natuurlijk enthousiast. Ik doe het met passie. Net als wanneer ik aan het voetballen ben. Dat ervaren mensen als druk of onrustig. Maar ADHD heb ik niet, hoor. Ik kan heel goed een hele avond stil in mijn stoel zitten met een theologisch boek.”

Welke uitzending was in al die jaren een hoogtepunt?

Resoluut: „Toen Hijltje Vink in Het Elfde Uur te gast was. Een pleegmoeder van een groot gezin. Zij vertelde hoe ze vanuit haar christelijke geloofsovertuiging gebutste kinderen crisisopvang bood: een geweldig verhaal!”

Hebt u, terugkijkend, ergens spijt van?

Lachend: „Wat wil je horen? Lust je nog een keer koffie?”

Terug uit de keuken: „Ik heb natuurlijk allerlei foutjes gemaakt. Maar ik heb niet van heel veel dingen spijt. Misschien van die assertieve manier van interviewen in de jaren negentig. Als bekende christelijke Nederlander ben je van de weeromstuit een rolmodel. Als ik door mijn manier van interviewen het beeld heb opgeroepen dat christenen onverdraagzaam zijn, dan heb ik daar met terugwerkende kracht spijt van. Ik zei in 1992, toen we als EO de A-status kregen: ‘Doe mij maar een talkshow.’ Ik wist dat ik het kon, maar het was helemaal nieuw voor de EO. Misschien heeft het ons overvallen welk beeld we daarmee neerzetten.”

U maakte persoonlijk in die jaren een ontwikkeling door. U komt uit een bevindelijk christelijk gereformeerd nest...

„Begin jaren zeventig zaten we op de Bewaar het Panddag.”

U was innerlijk afgehaakt, toen er tijdens uw studie economie aan de VU een omkeer plaatsvond.

„Dat was in oktober 1971, zaal 4A00. Ik ben er heel terughoudend in geworden om daar veel over te vertellen. Voor je het weet wordt het een dingetje. Het gaat om aangrijpende dingen. Ik werd in m’n nekvel gegrepen, ja. Noem het bekering.”

U stapte over naar theologie.

„Met het doel om dominee te worden. Maar ik heb me nooit gemeld bij het curatorium van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK). Daar moest je je roeping en genadestaat vertellen. Maar ik kwam tot de conclusie dat ik geen roeping had. Na twee jaar VU ben ik in Utrecht verdergegaan met de theologie. Achteraf had ik misschien best predikant kunnen worden binnen de CGK. Ik preek nu al zo’n vijftien jaar, in allerlei kerken. Daarbij doe ik veel wat een predikant doet.”

De theologische ontwikkeling die u vervolgens doormaakte, kunt u die zelf in drie zinnen beschrijven?

„In drie zinnen, pfff... Ik denk niet dat ik opgeschoven ben. Er is wel wat bijgekomen. Ik voel me nog steeds qua theologie en geloofsbeleving bevindelijk gereformeerd. Tegelijk probeer ik de brug te slaan naar de evangelische spiritualiteit. Naast de vraag of het heil wel voor mij is, heb ik andere thema’s ontdekt. Maar als ik boek III van de Institutie lees – ik heb de eerste honderd bladzijden met het oog op dit gesprek weer gelezen – dan herken ik me nog steeds in wat Calvijn schrijft. Hoe hij spreekt over de rijkdom van de genade: dat heeft mij destijds de ogen geopend.”

U wilt een brede accolade slaan om heel christelijk Nederland.

„Heel orthodóx-christelijk Nederland.”

U wilt werelden verbinden die volgens velen niet samengaan. Zoals de bevindelijk gereformeerde en de evangelische wereld.

„Ik begrijp alle moeiten. Toch vraagt de nood der tijd om meer toenadering. Ik ga voor binnen de Protestantse Kerk, de CGK/GKV, de pinksterkerken. En als ik dezelfde preek houd, namelijk dat een mens alleen van genade kan leven, krijg ik dezelfde reacties. De entourage is anders, en de tongval, maar de boodschap is hetzelfde.”

U schreef een boek over het avondmaal bij Teellinck, én u schrijft over de paus.

„Teellinck heb ik er ook weer bijgepakt. Heel mooi. Tegelijk word ik bijna wekelijks geraakt door de meditaties van de paus in het Katholiek Nieuwsblad . Zijn nadruk op genade vind ik heel bijzonder. Ik heb best wat tegen op de roomse theologie. Maar de genade verbindt ons.”

Het punt waarover de meeste onrust ontstond: schepping en evolutie.

„Het klopt dat ik in mijn begintijd bij de EO de letterlijke uitleg van Genesis 1 tot 3 heb uitgedragen. Daarin ben ik veranderd. Ik moet wel: de wetenschappelijke data over het evolutionaire proces in 13,8 miljard jaar zijn overweldigend. Tot die onderzoeksresultaten gefalsificeerd worden, moet ik ze combineren met mijn geloof in God als Schepper.”

Vroegere geestverwanten hebben dit met lede ogen aangezien. Begrijpt u hun pijn?

„Natuurlijk. Ik heb er ook pijn van. Ik voel me namelijk nog steeds een van hen. Ik ken ze. Ik houd van ze. Alleen, ik heb de kring wat breder gemaakt. Ik kan niet anders. Overigens, en dit vind ik heel belangrijk, wil ik dit thema veel breder zien. In mijn programma Andries en de wetenschappers wil ik laten zien dat geloof en wetenschap geen tegenstelling vormen. Ik spreek daarin met topwetenschappers die christen zijn. Mijn doel is om vooral studenten mee te geven dat je niet van je geloof hoeft te vallen als je met wetenschap bezig bent. Daar ligt mijn hart.”

Mensen vragen zich af: Waar eindigt Knevel?

„Dat begrijp ik. Zeg nooit nooit. Wie meent te staan... Maar ik ben niet bang om als ongelovige te eindigen. En al waren de verwachtingen in rooms-katholieke kring hooggespannen na mijn boek over de paus, rooms zie ik mezelf niet worden. Daarvoor ben ik te veel gehecht aan de brede reformatorisch-evangelische traditie.”

Aan welke bronnen laaft u zich?

„De reformatorische traditie: Calvijn, en nog meer Luther. Tom Wright en Bonhoeffer. De boeken van Bram van de Beek.” Met een glimlach: „Heel consistent door de jaren heen.”

Het lijden bleef u niet bespaard. U verloor in 1995 een zus.

„Jantine. We hebben veel samen opgetrokken. Ze was 35 en overleed aan kanker. Na een moeilijk leven net getrouwd. Ik kan er eigenlijk niet over praten. Het raakt me altijd weer. Toen ik uit het ziekenhuis kwam, ben ik naar de hei gegaan en heb het uitgeschreeuwd.”

Zelf belandde u eind 2016 op de ic. U moest afscheid nemen van uw gezin.

„Een soort afscheid, ja. Ze gingen me kunstmatig in slaap brengen omdat ik aan de invasieve beademing moest.”

Wat is uw houvast op zo’n moment?

„Ik heb tegen mijn vrouw en kinderen gezegd dat ik, als ik niet meer wakker zou worden, me geborgen wist in Gods handen. In die tijd heb ik veel gehad aan het lied Ik zal er zijn van Sela. Dat liet Rietje me dan horen vanaf haar telefoon; ik kon amper meezingen vanwege de apparatuur. In dat lied staat de zin: ‘Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan’. Heel mooi verwoord hoe God ons in Zijn genade draagt. Mijn houvast als je de dood in de ogen kijkt? Zondag 23 van de catechismus: Hoe ben je rechtvaardig voor God? Door het geloof in de genade van God. Op zo’n moment ben ik zo dankbaar dat ik in deze traditie sta en dat zo’n antwoord al die jaren door resoneert in mijn leven.”

„De grondtoon van mijn leven is na mijn ziekte gelijk gebleven; hooguit geïntensiveerd. Ik leefde altijd al in de wetenschap dat het leven eindig is”