De mens kan verregaand 'verbeterd' worden door techniek, maar tot welk punt is dat wenselijk?

De mogelijkheden om door middel van technologie in te grijpen in het menselijk lichaam nemen in snel tempo toe. Het gaat daarbij niet alleen over herstel, maar ook over uitbreiding van menselijke functies, bijvoorbeeld door de koppeling van het menselijk brein met een geïmplanteerde computer. Bert-Jan Heusinkveld schetst in zijn proefschrift een medisch-ethisch kader voor mensverbetering vanuit christelijk perspectief.

Een Franse wetenschapper houdt een hersenimplantaat vast.

Een Franse wetenschapper houdt een hersenimplantaat vast. Foto: HO

Zo zou je militairen op het gevechtsterrein met elkaar kunnen laten communiceren zonder dat ze woorden uitspreken: silent speech technology . En met een implantaat bij het netvlies kunnen ze infrarood en ultraviolet zien. Dan is het oog dus tegelijkertijd een nachtkijker.

Groepspersoon

In de toekomst kan men wellicht met de juiste implantaten hersendelen van verschillende personen draadloos laten samenwerken. Er ontstaat dan een soort ‘groepspersoon’. Het zijn toepassingen die het normale menselijke functioneren te boven gaan. De beweging van het ‘transhumanisme’ verwelkomt ze en voorziet toename van levensverwachting, resistentie tegen ziekten, hogere capaciteit van het brein en het overhevelen van de inhoud van het brein van de mens naar de computer.

Maar is het goed en heilzaam de mens op te waarderen en te perfectioneren door middel van technologie en te werken aan de ontwikkeling van een ‘cyborg’, een combinatie van mens en machine? Wordt de mens(heid) daar werkelijk beter van? In zijn proefschrift De betere mens ontwerpt dr. Bert-Jan Heusinkveld een medisch-ethisch kader voor mensverbetering vanuit christelijk perspectief. In hoeverre is de inbreuk van de verbetertechnologieën op het menselijk lichaam aanvaardbaar? Dragen ze positief bij aan het menselijk leven?

Van alle tijden

Mensverbetering is van alle tijden en sterk beïnvloed door de cultuur. In het eerste hoofddeel van zijn proefschrift schetst. Heusinkveld de ontwikkeling vanaf de mythische mens tot de moderne tijd. Volgens de kerkvader Augustinus bijvoorbeeld is het geheim van de mens dat God in hem aanwezig is. Dat kleurt zijn concept van mensverbetering: ‘Het mensenbestaan dringt tot zijn bestemming, waarbinnen het geordend wordt: de rust in God.’

In onze westerse cultuur wil de mens zelf de werkelijkheid vormgeven. De mens is zijn eigen project en beheerst de werkelijkheid. Het ontrafelen van de DNA-structuur wekt de indruk dat de mens ‘maakbaar’ is en herleid kan worden tot een (levenloos) algoritme. Zijn lichaam moet vooral nuttig zijn en een goed en aangenaam leven garanderen. En de artsen moeten daarvoor zorgen.

Vervolgens onderzoekt Heusinkveld wat er Bijbels-theologisch over mensverbetering te zeggen valt. Bij de uitleg van Genesis 1-11 komt naar voren welke bestemming en roeping de mens heeft en hoe ingrijpend de impact van de zondeval is: ‘Wat ‘goed’ is, is niet langer geworteld in wat Gód zegt dat het leven verbetert, maar in wat de méns denkt dat wenselijk is om het leven op een hoger plan te brengen. In plaats van ambassadeur, bemiddelaar en navolger is de mens (zelf)bepaler geworden.’

Volmaakte verbetering

In aansluiting op de uitleg van nieuwtestamentische gegevens maakt Heusinkveld onderscheid tussen futurum en adventus’ . Bij futurum valt te denken aan ontwikkeling van de mogelijkheden in de schepping. Adventus verwijst naar wat van Gods kant geschonken wordt, de toekomst waarop gehoopt kan worden, maar die niet gepland of gemaakt kan worden.

‘Wat op ons afkomt’ is groter dan wat mensen kunnen ontwikkelen. Ken je plek, accepteer je grens. De volmaakte verbetering van de mens kunnen we niet realiseren. Sluit dus aan bij de gegeven structuren. Streef bij verbetering naar de vervulling van het potentieel dat past bij de menselijke maat. Waarschuwend: ‘Onze macht om te transformeren lijkt groter te zijn dan ons geloof en onze moraal om deze macht goed te gebruiken in de lijn van de herschepping.’

Medische ethisch kader

Om ‘mensverbetering’ te beoordelen is het essentieel om vanuit de filosofie te omschrijven wat bepalend is voor het mens-zijn. Wie is de mens? Daarover gaat het derde hoofddeel. Het omvat een buitengewoon heldere uiteenzetting van het mensbeeld volgens de - bepaald niet eenvoudige - christelijke filosofie.

Curriculum vitae

Bert-Jan Heusinkveld (1968) studeerde theologie aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn waar hij in 1991 cum laude slaagde voor zijn kandidaatsexamen. In 1995 rondde hij zijn doctoraalstudie theologie af aan de Theologische Universiteit in Kampen (Oudestraat, ThUK), met als hoofdvak Ethiek. In 1994 kwam hij in contact met de Lindeboomleerstoel aan de Vrije Universiteit in Amsterdam door daar colleges medische ethiek te volgen. Hij ‘verhuisde’ mee met de leerstoel naar de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg, TUK), waar hij afgelopen juni promoveerde. Inmiddels bekleedt Heusinkveld 25 jaar het ambt van predikant. Van 1996-2002 diende hij de Gereformeerde kerk van Sibculo-Kloosterhaar en sinds 2003 de Gereformeerde kerk van Daarle (PKN).

Van belang is dat de mens niet slechts een lichaam ‘heeft’ maar zijn lichaam ‘is’. ‘Ik’ val samen met ‘mijn lichaam’. Het lichaam is dus niet slechts een ‘instrument’ dat ik naar believen kan manipuleren. Het kan ook niet herleid worden tot een optelsom van atomen en moleculen of gereduceerd worden tot een (genetische) informatiebundel met een code die wel of niet klopt. Bij ‘mensverbetering’ is de vraag of recht gedaan wordt aan de integriteit van de mens in zijn geheel en aan zijn unieke identiteit.

In het vijfde hoofddeel van het proefschrift komen de lijnen samen in een medisch-ethisch kader voor mensverbetering. Het recht-doen aan het totale mens-zijn of lichaam-zijn is een belangrijke hoofdlijn. Het kenmerkt ook de visie op het werk van de arts. Van hem wordt meer gevraagd dan wetenschappelijke kennis en professionele vaardigheden. In de verhouding arts - patiënt gaat het om de zorg voor de lijdende medemens. ‘De ‘totale mens’ staat in het middelpunt van de ontmoeting van arts en patiënt.’

Kostbare status

De vraag naar mensverbetering mag niet worden gereduceerd tot de kleine vraag naar functionele lichaamsverbetering. Vanuit christelijk perspectief geldt dat de Schepper elk leven een unieke en kostbare status toekent.

Techniek is waardevol in het omgaan met de weerbarstigheid van het leven. ‘Maar aangezien afhankelijkheid, vergankelijkheid en verantwoordelijkheid menselijke existentialia zijn, is het moeilijk, zo niet onmogelijk, het leven te zien als een te calculeren en te managen project.’

Daarom is zelfaanvaarding nodig, inclusief de erkenning van kwetsbaarheid en beperktheid en is de ‘dienst aan het leven’ een beter perspectief dan de maakbaarheid ervan. ‘Het paradoxale is dat naarmate de houding van aanvaarding, waardering en dienst aan het leven wegebt, de onzekerheid omtrent het bestaan en de toekomst lijkt toe te nemen. Deze onzekerheid wordt gepareerd met nog meer manipulatie, terwijl deze manipulatie juist de achtergrond vormt van die toenemende onzekerheid.’

Toepasbaar

Helder en systematisch ordent Heusinkveld de normen voor het medische handelen. Toepasbaar voor concrete situaties, herkenbaar en niet zelden onthullend. Bijvoorbeeld: ‘Sinds de ontwikkeling van concentratieverbeteraars zijn artsen en ouders een gebrekkig concentratievermogen steeds meer gaan zien als een tekortkoming of aandoening die behandeld kan worden. Medicijnen worden voorgeschreven aan ‘minder zware gevallen’. Zo vind er een normverschuiving plaats in wat als normaal gedrag of als een gezond lichaam wordt gezien.’

Of naar aanleiding van rechtvaardigheid: ‘Het lijkt op meso- en zeker op macroniveau moeilijk te rechtvaardigen om, zolang er nog zoveel mensen voortijdig aan vermijdbare ziekten sterven, diegenen die het sowieso het beste hebben, nog meer voordelen te geven, in plaats van eerst ervoor te zorgen dat alle mensen een basale gezondheidszorg krijgen en toegang tot basismiddelen om te overleven.’

Het is begrijpelijk dat technologie gebruikt wordt voor een gezond, actief, sociaal betrokken en gelukkig leven. Maar omtrent het ‘verbeteren’ van de mens tot een niveau dat zonder de technologie niet bereikbaar is – laat staan tot een trans-humaan niveau – komt Heusinkveld tot een afwijzende houding.

Al met al is het een erg knap en actueel proefschrift; mooi uitgegeven, goed geschreven, helder van opzet met – voor wie de materie te ingewikkeld vindt - bij ieder hoofdstuk een samenvatting. In de bezinning op ‘mensverbetering’ kan niemand om dit boek heen.

Bert-Jan Heusinkveld. De betere mens. Een medisch-ethisch kader voor mensverbetering vanuit christelijk perspectief. Uitgeverij Eburon. 32,50 euro