Door het protestantisme groeide de aandacht voor geluk en identiteit van het individu

Is het ‘ik’ een christelijke uitvinding? Kerkvader Augustinus (354-430) was ooit de eerste die een boek schreef over zijn eigen ziel, de bekende Belijdenissen. Dat in de negentiende eeuw het individu centraal komt te staan in de Europese cultuur, is er een late echo van.

Een selfie voor het Colosseum in Rome.

Een selfie voor het Colosseum in Rome. Foto: AFP

Het kan raar klinken, maar mensen hebben zichzelf niet altijd als een uniek individu beschouwd. Vandaag vinden we het vanzelfsprekend dat jij als persoon voorop staat. Jongeren misschien iets meer dan ouderen, maar voor iedereen is het herkenbaar dat mijn ‘ik’ iets onaantastbaars heeft: dat is van mijzelf. Een ander mens kan niet zomaar over mij heen walsen, over me beslissen of me in een hokje duwen. Vroeger, eeuwen terug, was dit wel anders. Dan hoorde je allereerst bij een bepaalde bevolkingsgroep of bij een maatschappelijke klasse. En dat bepaalde in hoge mate wie jij was, en niet zozeer jouw unieke persoonlijkheid.

Peter Buijs (1958), historicus, is geïnteresseerd in de vraag hoe zulke culturele veranderingen verlopen. Recent verscheen zijn boek De geboorte van het moderne IK, waarin hij specifiek kijkt naar de ervaring van ‘geluk en identiteit’ door de tijd heen. Hij wil weten hoe mensen dit persoonlijk hebben beleefd en hoe ze erover hebben gedacht. Daarom bespreekt hij in zijn boek zogenoemde ‘egodocumenten’: brieven, dagboeken en memoires en vergelijkbare teksten, waarin mensen iets van zichzelf uitdrukken. Zijn vraag luidt: wat is voor deze mensen geluk, en hoe zien zij zichzelf?

Zelfexpressie

Buijs kiest in zijn boek voor de periode 1500 tot 1850. Dat wekt verwachtingen, want het ligt voor de hand dat je in dit tijdvak wel verschillen ziet optreden. Met het jaartal 1500 zitten we op de grens van de middeleeuwen: Maarten Luther (1483-1546) is inmiddels geboren, Erasmus (1466-1536) ook, de Reformatie komt eraan, en de renaissance heeft sinds 1400 in Zuid-Europa een humanistische impuls gegeven aan de cultuur.

Het jaartal 1850, het einde van Buijs’ tijdvak, ademt een heel andere sfeer. Dan hebben we de Verlichting (de achttiende eeuw) achter de rug, met grote nadruk op redelijk inzicht en de opkomst van de natuurwetenschappen. Daarop volgde de Romantiek, die in buurland Duitsland in de tweede helft van de achttiende eeuw begon, bij ons iets later. In de Romantiek kwam de aandacht te liggen bij zelfexpressie, gevoel en beleving. Deze ontwikkeling valt ook terug te zien in de ruim honderd egodocumenten die Buijs aan een onderzoek heeft onderworpen.

Turbulente tijd

Het leuke van Buijs’ boek is dat je de mensen uit de voorbije eeuwen zo dicht op de huid komt. Je leest hier hoe zij zich voelden, waar ze naar verlangden en hoe ze tegen hun tijd en omstandigheden aankeken. Een heel leger aan dagboek- en brievenschrijvers komt hier voorbij, onbekende namen maar ook bekende, van Erasmus tot Hiëronymus van Alphen (1746-1803). Zo komt ook de in Fryslân geboren humanist Viglius ofwel Wigle van Aytta van Zwichem (1507-1577) in beeld. Deze belangrijke bestuurder en rechtsgeleerde liet enkele jaren voor zijn dood zijn levensgeschiedenis optekenen, waarin hij aandacht heeft voor de turbulente tijd waarin hij leefde: de opkomende Reformatie, met tal van gewelddadige conflicten.

Maar bij Viglius, evenals bij iemand als Erasmus, kom je eigenlijk geen focus tegen op het eigen ik, ook geen directe beschouwing over eigen gevoelens of persoonlijkheid. Natuurlijk zijn er wel gevoelens, soms heftig geuit als het tegenzat, maar bij de vraag ‘wat doet het met jou?’ zouden zij toch een beetje vreemd hebben opgekeken. Zo werkte dat niet, in die tijd. Buijs wijst erop dat geleerden en bestuurders zoals Viglius en Erasmus, die niet konden bogen op adellijke afkomst, vooral bezig zijn hun reputatie en maatschappelijke positie te verdedigen.

Het gereformeerde geloof

Het is interessant om hier te lezen dat het gereformeerde geloof, dat vanaf de zestiende eeuw dominant werd in Nederland, een belangrijke bijdrage leverde aan ‘geluk en identiteit’. Niet dat een gereformeerd mens per se een vrolijke Frans was, maar door het gereformeerde geloof kwam er meer aandacht voor het gewone leven. Wie jij als individu bent, telt voor God, luidde de typisch protestantse visie. De kerk met een hoofdletter zat daar niet meer tussen, en ook de heiligen niet, want die waren helemaal geen ‘middelaars’.

Tegelijk zie je in egodocumenten, als het geloof er een rol speelt, dat er veel bekommernis is over de eigen zondigheid. Mensen leefden in het besef dat het leven kort was, en zomaar afgelopen kon zijn. En hoe stond het er dan voor, met je ziel? Het idee van geluk, de onderzoeksvraag van Buijs, moeten we dan eerder zoeken in de eeuwige gelukzaligheid, en de hoop te mogen delen in de vreugde van God. Hoewel je aan dit geloof best het besef kunt aflezen dat het gewone leven van belang werd, cultuurhistorisch gezien, duidelijk is ook dat ‘de geboorte van het moderne ik’ nog heel ver weg is.

Volwassenheid

Dat er in de eeuwen die Buijs bespreekt een ontwikkeling waarneembaar is naar het individu, naar het gewone leven en de persoonlijke emotionele binnenwereld - dat alles is al wel bekend. Wat Buijs toevoegt, is het illustreren en toetsen van dat globale beeld met dat wat we zien in brieven, dagboeken en andere egodocumenten uit ons taalgebied. Al die teksten heb je zelf natuurlijk niet allemaal op de plank, en op internet is lang niet alles beschikbaar. Nuttig dat Buijs dit allemaal bespreekt en erover vertelt, vaak met veel boeiende details. Zoals over Hiëronymus van Alphen, de bekende dichter van Jantje zag eens pruimen hangen , die een dagboek schreef omdat hij zichzelf beter wilde leren kennen: hij wilde zijn ziel doorgronden, met als doel zich te verbeteren.

Volgens Buijs is Van Alphen de eerste Nederlandse dagboekauteur die expliciet de moderne vraag stelde: ‘Wie ben ik?’ Maar dan zijn we, in de reis door de tijd, al bijna bij het jaartal 1800. Dan ontstaan ook, voorzichtigjes, de contouren van een nieuwer levensbesef. Daarin raakt de eigen identiteit in de belangstelling, evenals geluk in dagelijkse, aardse omstandigheden. Het is terecht om hier de ‘geboorte van het moderne ik’ in te ontwaren, zoals Buijs doet. Maar dat pasgeboren ‘ik’ moest in de eeuwen daarna nog veel veranderingen doormaken om ‘volwassen’ te worden in de tijd van nu. Al blijft het natuurlijk een kwestie van interpretatie of ‘volwassenheid’ in dit verband een goede aanduiding is.

De geboorte van het moderne IK. Geluk en identiteit in Nederlandse egodocumenten, circa 1500-1850 . Peter Buijs. Uitgeverij Verloren. 25,00 euro