Geertje Lycklama à Nijeholt: een feministische pionier uit gereformeerd Lollum die haar afkomst niet verloochende

In 1992 kreeg Geertje Lycklama à Nijeholt (1938-2014) de Aletta Jacobs-prijs vanwege haar voortrekkersrol op het terrein van vrouwenemancipatie en ontwikkelingssamenwerking. Wie was deze feministische pionier uit gereformeerd Lollum?

Geertje Lycklama à Nijeholt.

Geertje Lycklama à Nijeholt. Foto: ANP Kippa

Geertje werd in Lollum geboren als oudste in een gezin van vijf kinderen. Haar vader had in de dorpskom een melkveebedrijf met twintig koeien. „We waren tamelijk arm”, zei ze later, „en gereformeerd. Maar ik herinner me niet dat benauwende dat bij veel mensen als eerste in hun herinnering opkomt.”

Rehoboth-ulo

Ze had een onbezorgde jeugd in het vrij geïsoleerde dorp en geen last van spanningen als gevolg van de centrale rol die haar vader speelde in het verzet tegen de Duitsers. Het was nog oorlog, toen ze op 1 april 1944 naar school mocht. Na de lagere school volgde de gereformeerde Rehoboth-ulo in Bolsward, voor haar het hoogst haalbare, ondanks een eindrapport met achten, negens en een tien. Het lyceum in Sneek was alleen voor boerenzonen. Een jaar later mocht Geertjes jongere nichtje Titia wel als eerste meisje uit Lollum rechtstreeks naar het gymnasium, dankzij het nieuwe schoolhoofd Beerda.

Na de ulo fietste ook Geertje nog drie jaar lang de zeventien kilometer lange weg naar Sneek. In 1956 haalde ze het hbs-B diploma, opnieuw met achten, negens en een tien. Jongens gingen dan doorleren, meisjes niet. Het was een van de weinige keren dat ze kwaad werd. Gesteund door haar ouders, vooral haar moeder, kon ze gaan studeren. Van haar vader mocht ze ook kiezen voor een paard, maar ze bedacht dat ze die na een goede opleiding zelf wel kon kopen.

Kuyper

Ze koos sociologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Abraham Kuyper had deze opgericht om gereformeerde leiders op te leiden voor kerk, staat en maatschappij. In zijn befaamde openingsrede Souvereiniteit in eigen kring (1880) verklaarde hij dat het in de wetenschap ging om ‘het vragen naar waarheid, enkel onderworpen aan de Souvereiniteit Gods, zoals die door de gereformeerde belijdenis werd verstaan en geïnterpreteerd’.

Dat uitgangspunt kwam in de loop van de jaren vijftig en zestig onder druk te staan. Door het groeiend aantal studenten werd de VU een ‘gewone’ door de rijksoverheid bekostigde instelling. Tegenwoordig komt de eigen identiteit vooral tot uiting in naar verhouding veel studenten met een migratieachtergrond en/of een niet-christelijke religie, zoals de islam.

CBTB

Geertje had een studiebeurs en verdiende bij met het afnemen en uitwerken van enquêtes. Zoals de meeste studenten buiten de Randstad ging ze hooguit een keer in de maand naar huis - of het ijs moest sterk genoeg zijn om in Lollum te schaatsen. In Overijssel deed ze veldonderzoek naar de agrarisch-sociale voorlichting van de CBTB. „Ik werd klaargestoomd voor een functie in de agrarisch-sociale voorlichting”, zei ze, maar het liep anders.

In 1961 ging ze met economiestudent en domineeszoon Henk Thomas naar De verre naaste, een vijfdaags VU-congres in Zeist. Daar ontstond het idee om later naar Pakistan te gaan. ‘Wij, die wonen in landen met een hoge welvaart, hebben ten aanzien van deze nog arme landen een grote taak,’ schreef ze in het blad Voor het gezin na de internationale cursus die ze die zomer volgde op de Landbouwhogeschool in Wageningen.

Eind 1963, getrouwd met Henk, beiden afgestudeerd en in verwachting van hun eerste kind, vertrokken ze naar Pakistan. Henk ging er economie doceren. Op het Zendingscentrum in Baarn hadden ze lessen gevolgd over aspecten van ontwikkeling en godsdiensten in ontwikkelingslanden en op het Tropenmuseum de beginselen van het Urdu geleerd, de taal van Pakistan.

Kansarme christenen

Ze gingen niet om te bekeren, maar hadden wel een missie. Met hun kennis wilden ze de jonge staat helpen opbouwen en perspectief bieden aan de kansarme christenen. Geertje benutte de beperkte ruimte die ze had als vrouw in een islamitisch land door vrijwillig te assisteren bij sociologisch onderzoek en projecten op te zetten met vrouwen en meisjes, te sporten met de minderheid van vrouwelijke studenten en te helpen bij activiteiten om de kloof tussen christenen en moslims te overbruggen.

Naar de VS

In hun zeven Pakistaanse jaren werden hun twee kinderen geboren. In 1970 vertrok het gezin voor drie jaar naar de Verenigde Staten. Henk had een promotiebeurs van Cornell University in Ithaca, New York. Geertje vond werk bij een groot onderzoek naar de leefomstandigheden van trekarbeiders. Iedere zondag bezochten ze trouw de First Presbyterian Church. Vooral de aandacht voor nieuwkomers en de zondagsschool voor de kinderen bevielen hen. Het eerste scheurtje ontstond toen conservatieve kerkgangers de ‘steengoede’ predikant dwongen ontslag te nemen door de geldkraan dicht te draaien. Henk en Geertje waren verbijsterd over deze ‘keiharde politiek in de ‘tsjerke’ met de stok van het geld achter de deur’. Hun denken werd mede beïnvloed door de democratiserings- en burgerrechtenbewegingen, de tweede feministische golf en het protest tegen de oorlog in Vietnam.

Na zijn promotie in 1973 werd Henk economiedocent op het Institute of Social Studies (ISS) in Den Haag en was het de beurt aan Geertje om te promoveren, aan de Vrije Universiteit, op de resultaten van het Amerikaanse onderzoek naar trekarbeiders. Meteen daarna, in 1976, kon ze aan de slag bij de Emancipatiecommissie en was ze de aangewezen kandidaat voor de functie van coördinator Internationale Vrouwenzaken die minister Jan Pronk van Ontwikkelingssamenwerking creëerde na zijn bezoek aan de Wereld Vrouwenconferentie in Mexico (1975). In de kerk kwamen ze steeds minder. Geertje was zich een ‘feministisch-socialiste’ gaan voelen en werd lid van de PvdA. In 1995 kwam ze in de Eerste Kamer, van 1999 tot 2003 was ze de eerste vrouwelijke voorzitter van de PvdA-fractie.

Hoogleraar

In 1992 kreeg ze de Aletta Jacobs-prijs vanwege haar voortrekkersrol op het terrein van vrouwenemancipatie en ontwikkelingssamenwerking. Op dat moment was zij de eerste vrouwelijke rector van een wetenschappelijke instelling in Nederland, het Institute of Social Studies (ISS) in Den Haag, waar ze in 1983 als eerste hoogleraar Women and Development was begonnen. Ze was vaker de eerste: coördinator Internationale Vrouwenzaken op het ministerie van Buitenlandse Zaken (1977-1983) en buitengewoon hoogleraar vrouwenemancipatie in Nederland (Wageningen, 1978-1983). Daar ging tien jaar buitenlandse ervaring aan vooraf.

Ze was ervan overtuigd geraakt dat zonder wijziging van de bestaande machtsverhoudingen, waar ze ook religie bij vond horen, geen einde zou komen aan de afhankelijke positie en onderdrukking van vrouwen. Maar ze verloochende haar afkomst niet: „Calvinisten willen de wereld verbeteren, ze zijn enorm gedreven en willen aan de slag”, zei ze in een interview. Die instelling herkende ze ook bij andere mensen uit een gereformeerd milieu, zoals Joke Smit, schrijfster van het artikel Het onbehagen bij de vrouw waarmee in 1967 de tweede feministische golf in Nederland begon.

Johanneke Liemburg (1952) was tot 2018 burgemeester van Littenseradiel. Zij begon haar loopbaan als journalist en studeerde daarna politicologie. Zij was voor de PvdA lid van Provinciale en Gedeputeerde Staten van Fryslân en van de Tweede Kamer.

Dit is het vierde deel in de serie De gereformeerden