Jongeneel legt uit wat protestantisme wereldwijd betekent

Het protestantisme is een goede garantie voor mensenrechten, concludeert zendingswetenschapper Jan A.B. Jongeneel in zijn deze week verschenen boek. Hij bespreekt alle landen ter wereld met het oog op het protestantse geloof.

Zendingswetenschapper Jan A.B. Jongeneel.

Zendingswetenschapper Jan A.B. Jongeneel. Foto: André Drost

Wat is protestantisme eigenlijk? Op die vraag weet je opeens minder snel een antwoord als je het boek Protestantisme als wereldwijde vernieuwingsbeweging (1945-2020) van Jan A.B. Jongeneel in handen krijgt. Natuurlijk, het protestantisme begon in de zestiende eeuw, met Luther, Calvijn en Zwingli. Persoonlijk geloof staat centraal, op basis van ‘het Woord alleen’. Maar er is zoveel meer, dat ‘de’ protestantse identiteit bepaalt, leren we dankzij dit boek.

Een voorbeeld ter verduidelijking. De rol van het protestantisme in Rusland is vanouds klein, stelt Jongeneel (1938) vast. In de tijd van het communisme kreeg het evangelisch-protestantse geloof harde tegenwind te verduren.

Maar na 1989 werd alles anders en toen bleek er ruimte voor de protestantse econoom Alexander Zaichenko: die werd adviseur van Gorbatsjov en Jeltsin. Deze Zaichenko, vertelt Jongeneel, had in 1992 een boek geschreven over het protestantse geloof als een middel voor economisch herstel. Zijn betoog had niets te maken met het ‘welvaarts-evangelie’, maar met de kernwaarden die het protestantisme hooghoudt: eerlijkheid, eerbiediging van instituties en respect voor de medemens als unieke persoon. Invloed van het protestantisme in Rusland, zo stelde Zaichenko, was de beste weg naar gezondmaking van de economie.

Mensenrechten

Het kan fors verschil maken, was de overtuiging van deze Rus, of het protestantse geloof voet aan de grond heeft in een land. Ook voor de mensenrechten. Landen met een protestantse meerderheid lopen wereldwijd voorop met het eerbiedigen van democratie, mensenrechten en godsdienstvrijheid, schrijft Jongeneel.

Wat betreft de godsdienstvrijheid doen protestantse landen het beter dan landen met een rooms-katholieke of een oriëntaals-orthodoxe meerderheid.

Bij een boek van dit type, met een breed palet aan protestantse varianten, ligt het voor de hand om te vragen naar de eenheid. Valt er een typisch protestants kenmerk aan te wijzen dat tegelijk geldt voor, laten we zeggen, Duitse Lutheranen en Zuid-Amerikaanse pinksterchristenen? De verschillen zijn natuurlijk groot. Maar als je Jongeneel goed beluistert, ligt het voor de hand een connectie te zien tussen Luther die de Bijbel in de volkstaal vertaalde, en het talenwonder van Pinksteren waar de charismatische beweging op voortborduurt.

Het protestantisme, zegt Jongeneel in dit verband, is een taalbeweging. Allereerst natuurlijk door de talloze Bijbelvertalingen die onder invloed van het protestantisme vervaardigd zijn, maar ook door de liedcultuur die een ongekende breedte en variatie laat zien. Daar hoort ook de krachtige stimulans bij voor scholing, het leren lezen en schrijven. Wereldwijd is er vermoedelijk geen sterkere factor te vinden die alfabetisering heeft aangemoedigd dan het protestantse geloof.

Jongeneel is een wereldburger met een verfrissend ruime blik

Natuurlijk is ook de persoonlijke verhouding tot God typisch protestants, stelt Jongeneel. Door de eeuwen heen hebben protestanten ervan getuigd dat wat zij geloofden, een kracht was die hun leven bepaalde, als een aanraking van God. Als je de brede blik van Jongeneel op dit punt volgt, kun je vanuit deze kern betrokkenheid zien opbloeien bij mensen in nood en in situaties van onderdrukking. Het protestantisme dat zich daarop richt, is van oecumenische snit. De evangelische richting en de Pinksterbeweging leggen het accent bij het spoor van innerlijke groei en toename in heiligheid, geïnspireerd door de zogenoemde ‘Holiness Movement’, die in de negentiende eeuw in de Engelstalige wereld doorbrak.

In dit laatste zit een sterke verticale neiging – het gaat om God – terwijl het oecumenische protestantisme een horizontale focus heeft: het gaat om de naaste in nood.

Maar nadenken over ‘het wezen’ van het protestantisme moet je eigenlijk pas doen, als je de veelheid aan feiten onder ogen hebt gezien. Bijvoorbeeld hoe het protestantisme functioneert, per land of werelddeel. Op dit vlak onderscheidt het boek van Jongeneel zich. In maar liefst elf hoofdstukken, die het grote middendeel van dit boek vormen, komt de ‘presentie’ van het protestantisme ter sprake, wereldwijd. Hij begint met het protestantisme in de drie landen met ‘een hindoeïstische en shintoïstische meerderheid’. Dat zijn India, Nepal en Japan. Vervolgens gaat het om de zes landen ‘met een boeddhistische meerderheid’ en daarna om het protestantisme in Israël. En zo gaat het verder.

In elk van de hoofdstukken geeft hij een statistisch overzicht met percentages en schenkt hij aandacht aan thema’s als godsdienstvrijheid en geloofsvervolging.

Representatief?

Hoewel Jongeneel veel interessante feiten meldt, is niet altijd duidelijk hoe representatief die zijn. Zo lezen we over de bekering van Solomon Bandaranaike van het christendom naar het boeddhisme, wat hem de kans bood president van Sri Lanka te worden, in de jaren vijftig. Maar wat zegt dit? Het vertellende karakter van dit boek ontspoort geregeld in het opsommen van feiten en feitjes. Die zijn waarschijnlijk met zorg gekozen, maar waarom, is niet altijd duidelijk.

Als lezer heb je soms meer verhaal en duiding nodig. Wat dit betreft verschilt het boek van Jongeneel sterk van het in 2017 verschenen De protestanten van de Britse hoogleraar Alec Ryrie. Diens boek is één en al verhaal en duiding, ook nog eens meeslepend geschreven. Jongeneel doet het kalmer aan, is meer feitelijk gericht, vaak interessant – maar nergens meeslepend.

Kenmerkend voor Jongeneel is zijn betrokkenheid bij de vervolgde christenheid, waarvan hij de protestantse vertegenwoordigers voor het voetlicht haalt. Bij de landen-bespreking somt hij steeds ‘bloedgetuigen’ op, die het leven lieten voor het geloof.

Hoe dan ook, het is iets bijzonders dat dit overzichtswerk nu is verschenen. Jongeneel is al ruim vijftien jaar met pensioen, maar hij is nog altijd gepassioneerd bezig in zijn vakgebied. De afgelopen periode werkte hij aan diverse publicaties, zoals een tweedelige geschiedenis van de Nederlandse zending vanaf 1600 tot heden. En nu dus dit boek over het protestantisme, waarin hij ook tot uitdrukking brengt wie hij zelf als protestant is.

Ruime blik

Jongeneel is een wereldburger met een verfrissend ruime blik, hij is ook oecumenisch ingesteld, en hij combineert dit met een focus op ‘de zaak’ van het christendom. Zo vindt hij het mooi als christenen en boeddhisten bondgenoten zijn, en elkaar niet de tent uitvechten. Maar tegenover de boeddhistische tempel heeft de kerk een ‘eigen specifieke missie’, stelt hij: geen ‘onthechting’, maar ‘hechting aan God als Schepper en aan medemensen als medeschepselen’. Dus niet gericht op de leegte en het ‘uitdoven’ van het persoonlijke ‘zelf’, zoals het boeddhisme wil, maar op ‘de vervulling met de Heilige Geest, die wereldwijd mensen en gemeenschappen inspireert tot een vrij en vredig leven.’

Nieuws

menu