Kerk en geloof kwamen steeds meer centraal te staan in het leven van de middeleeuwse Fries, blijkt uit het boek 'Gedeeld geloof'

Het is een romantisch beeld: wie over de kleigronden langs de Waddenkust rijdt ziet overal kerktorens die de dorpen tussen de akkers markeren. In de loop van de middeleeuwen drong het christendom steeds dieper binnen in het leven van Friese boeren en burgers.

De terugkeer van een Sint-Antoniusbedevaart van Pieter Aertsen, circa 1550. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.

De terugkeer van een Sint-Antoniusbedevaart van Pieter Aertsen, circa 1550. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel. Foto: J. Geleyns – Art Photography

De basis van die Friese kerkbouw ligt in de middeleeuwen: in de huidige provincie Fryslân werden destijds meer dan 350 parochiekerken gebouwd. ‘Verreweg het dichtste netwerk van dorpskerken in het bisdom Utrecht’, constateren Anneke Mulder-Bakker en Rolf H. Bremmer in het boek Geleefd geloof dat ze vandaag in Tresoar in Leeuwarden presenteren.

Karel de Grote

Een belangrijke rol in die ontwikkeling was weggelegd voor Karel de Grote, die in het begin van de negende eeuw besloot dat overledenen voortaan bij een parochiekerk begraven dienden te worden, en niet meer bij de eigen boerderij. Maar die kerken waren er nauwelijks: rond het jaar 1000 stond in een dunbevolkte gebied zoals Oostergo (Noordoost-Fryslân) slechts één patronaatskerk. Toen Karels voorschriften vanaf de elfde eeuw steeds meer in de Friese landen doorsijpelden, wilden dorpelingen een eigen kerk hebben, op een eigen terp en met een eigen kerkhof, waar ze de eigen voorouders dicht bij zich konden houden.

Zo veranderde vanaf de elfde eeuw het aangezicht van het Friese land: steeds meer dorpen bouwden een eigen kerk. Het waren in het begin vaak nog kleine kerken, maar tussen de eenvoudige boerderijen en woningen moeten de stenen kerkgebouwen, vaak met een toren, een krachtige presentie hebben gehad, stelt emeritus hoogleraar Vroegchristelijke Kunst en Architectuur van de Radboud Universiteit Nijmegen Sible de Blaauw in de bundel.

Centrale plek in de nederzetting

Die kerk op de terp werd het symbool van het steeds verder in de samenleving doordringende christendom. Kerkhof en kerkgebouw waren geheiligde grond, ‘midden in het alledaagse leven van de bewoners’. Maar het kerkhof was er niet alleen voor de overledenen; het was ook als een centrale plek in de nederzetting waar verschillende activiteiten plaatsvonden. Zo werden in Boazum bij de jaarlijkse herdenking van de kerkwijding marktkramen op het kerkhof opgesteld om na de mis de kermis met een jaarmarkt te vieren.

De kerk was altijd nabij, zichtbaar en hoorbaar. De stenen gebouwen maakten indruk, de luidklokken waren in de wijde omtrek te horen. Zelfs in de eenvoudigste dorpskerk werd dagelijks een mis gezongen of gelezen. De parochianen bezochten zeker niet allemaal dagelijks de kerk, maar het gebouw stond wel in het centrum van hun leven, stelt De Blaauw.

Veel Maartenskerken

In ieder altaar van een middeleeuwse kerk zat een reliek, bijvoorbeeld stukjes bot van een heilige. Die waren onder meer door de bekende missionarissen meegebracht. Zo had Bonifatius in Dokkum kistjes met kleine relieken van Romeinse martelaren bij zich.

‘Wie de heilige persoon daarachter was, daarvan hadden de parochianen geen idee.’ Het reliekje werd doorgaans niet vereerd en de heilige van wie het afkomstig was slechts zelden de patroonheilige van de kerk: in Fryslân werd dat vaak Martinus van Tours (316-397), bekend als Sint-Maarten, die patroon van het bisdom Utrecht was. Vandaar dat er veel Maartenskerken in Fryslân zijn.

De missionaris Liudger (ca 742-809) plantte een belangrijk zaadje voor het ontstaan van de Friese geloofsbeleving. In 786 ontving de edele vrouwe Meinswith hem op hofstede in Helwerd, in het huidige Groningen, vlak bij Usquert. ‘Zij nodigde hem en zijn gasten uit voor een drinkgelag, zoals edele Friezen dat deden met gasten van verre, en bood hun onderdak voor de nacht’, schrijven de auteurs.

Heldenliederen van het christendom

Vrouwe Meinswith liet ook een zanger komen voor het feest: de blinde bard Bernlef. Liudger nam hem de volgende ochtend de biecht af en ‘tekende de ogen van de blinde man met het teken van het kruis’. Het gevolg: Bernlef kon weer zien. De missionaris leerde de zanger de psalmen, die Bernlef voortaan zong als ‘heldenliederen van het christendom’. Zo wordt het feest bij Meinswith door de auteurs gezien als ‘het begin van het geleefde geloof in de Friese landen’.

Hoe de middeleeuwers hun geloof precies beleefden is moeilijk te achterhalen; persoonlijke herinneringen zoals dagboeken zijn er nauwelijks. Van de welgestelden zijn wel onder meer heiligenbeeldjes, reliekdoosjes, getijdenboeken en gebedsteksten bewaard gebleven. Veel laten deze bronnen niet los over het persoonlijke geloofsleven, maar ze bieden wel zicht op het kader waarbinnen het religieuze leven plaatshad.

God haat onrecht

Als voorbeeld wordt Jancko Douwama (1483-1533) genoemd, een geletterd en goed opgeleid bestuurder die in de gevangenis terecht kwam vanwege verraad. Voor zijn gevangenneming leken geloofszaken of vrome gedachten niet heel prominent in zijn leven aanwezig. Maar vanuit de gevangenis schrijft hij zijn oudste zoon, die wellicht rechter kan worden, dat die zich rechtschapen moet gedragen, ‘want God haat onrecht en partijdige rechters zullen gestraft worden in de hel’.

Tegen zijn vrouw en kinderen benadrukt Douwama het belang van het naleven van de Tien Geboden. Die kende hij goed als onderdeel van dertiende-eeuwse Friese wetteksten, waarin ook de ontstaansgeschiedenis van het Friese volk beschreven stond. De Friezen waren volgens die overtuiging door God uitverkoren en hun vrijheid, een samenleving zonder feodale structuur, was hen door God geschonken. Deze overtuiging werd breed gedeeld door de Friezen.

Drie vingers voor de duivel

In het middeleeuwse Friese recht, ‘een op zich reguliere rechtsgang’, verkregen God, Maria en de duivel een belangrijke plek. Zo was een pittige straf het afslaan van de drie middelste vingers van de rechterhand. Dit was voor de veroordeelde niet alleen zeer onhandig in het dagelijkse leven, maar hij kon zo ook niet meer met de drie vingers omhoog een kruis slaan; bescherming tegen de duivel was daardoor niet meer mogelijk, aldus het Friese volksgeloof.

Met dergelijke voorbeelden laten de auteurs zien hoe het christelijk geloof tot in het hart van het Friese (rechts)leven was doorgedrongen.

Geleefd geloof Het geloofsleven van boeren en burgers in Friesland en de Ommelanden van Groningen, 1200-1580 . Anneke B. Mulder-Bakker, Rolf H. Bremmer Jr (red.). Walburg Pers, 29,99 euro