Abraham Kuyper in Lollum: 'As de duvel hjir sels komt te preekjen, dan wolle wy dêr al by wêze' | Serie: De gereformeerden

Abraham Kuyper (1837-1920) streefde op basis van zijn geloof naar democratisering van de samenleving. Daarbij brak hij de macht van elite, wat tot veel weerstand leidde. Toen hij in 1888 in Lollum kwam preken, stond een groep vrijzinnige Friese boeren toe te kijken. „As de duvel hjir sels komt te preekjen, dan wolle wy dêr al by wêze.”

De Greidhoeke-kathedraal, de voormalige gereformeerde kerk van Lollum.

De Greidhoeke-kathedraal, de voormalige gereformeerde kerk van Lollum. Foto: Simon Bleeker

In 1903 bracht Abraham Kuyper als premier van het kabinet een serie werkbezoeken aan steenfabrieken langs de Hollandse IJssel. De directies hadden zich goed voorbereid om de hoge gast persoonlijk rond te leiden.

Wie schetst echter hun verbazing? Kuyper wilde niet alleen met de directies spreken, maar ook met de arbeiders! De pers maakte er melding van: ‘De minister sprak met mannelijke en vrouwelijke werklieden en nam ook een kijkje in hun woningen.’

Dit verhaal is veelzeggend. Het betekent meer dan alleen dat Kuyper ook oog had voor de gewone man. In zijn denken en doen was het essentieel dat iedereen in de samenleving ertoe deed en zijn of haar inbreng moest hebben, van hoog tot laag. Dat was ongekend in Kuypers dagen en hij werd er bepaald niet om geprezen.

Vatbaar voor volksmenners

In de ogen van de elite was het een ongehoorde en revolutionaire inbreuk op een welgeordende samenleving. Een kleine groep rijken had het voor het zeggen. Stemrecht was voorbehouden aan niet meer dan 10 procent van de mannelijke volwassen bevolking. Alleen wanneer je belasting betaalde mocht je stemmen. Wie geen belasting betaalde, zo was de gedachte, was arm en dus afhankelijk, en daarmee vatbaar voor volksmenners die van alles beloven. Armoede zou een verstandige en vrije keuze in de weg staan.

In de kerk was het niet veel beter. Het recht om een predikant te kiezen of ouderlingen en diakenen lag in Fryslân in de handen van de bezitters van bepaalde boerderijen, de zogenaamde floreenplichtigen. Zij waren vanouds de belastingbetalers, en hadden daarmee ook het kiesrecht in handen. Wie betaalt, bepaalt.

Kuyper in Fryslân

Al tijdens zijn predikantsjaren in Beesd had Kuyper dat systeem met succes bekritiseerd en had hij gepleit voor een stemrecht van alle mannelijke en vrouwelijke lidmaten. Door het uitdragen van dergelijke standpunten werd Kuyper door velen als een revolutionair en onruststoker gezien. Dat bleek onder andere bij een bezoek van Kuyper aan Fryslân, om precies te zijn in Lollum.

Bij de intrede van ds. P.J. Wijmenga op 2 september 1888 kwam Kuyper hoogstpersoonlijk naar Lollum om zijn voormalige student te bevestigen in het ambt van predikant. De kerk van Lollum, in haar geheel met de Doleantie meegegaan, gebruikte nog gewoon de oude dorpskerk.

Op de zondag van bevestiging zag het zwart van de mensen. De aanwezigheid van Kuyper zorgde voor enorme toeloop. De kerk was al snel te klein, en timmerlui haalden de ruiten uit de sponningen. Zo kon men ook buiten volgen wat er in de kerk gebeurde.

Op het kerkhof stonden ook enkele vrijzinnige boeren van naburige plaatsen, die vrijwel nooit naar de kerk gingen. Ze kregen natuurlijk de vraag waarom ze er nu wel waren. Het antwoord van één van hen is bewaard gebleven: ‘As de duvel hjir sels komt te preekjen, dan wolle wy dêr al by wêze.’

Rangen en standen

Dat Kuyper een andere geloofsopvatting had, zal deze vrijzinnige boeren niet zoveel hebben kunnen schelen. Waarom was hij dan in hun ogen zo’n grote duivel? Dat lag aan zijn maatschappelijke opvattingen.

In de negentiende eeuw was het niet normaal te zeggen dat alle mensen ertoe doen. De samenleving was een van rangen en standen. De adel en de burgerij waren rijk en goed ontwikkeld; het werkvolk was amper geschoold en kon zich soms ook nauwelijks in leven houden.

In die maatschappij loopt er één consequente rode lijn door al het optreden van Kuyper: die van de democratisering. Inmiddels kennen we allemaal de vruchten van de zogenaamde emancipatie: de zoon van de arbeider wordt schoolmeester, diens kinderen worden dokter of dominee. Dat was inderdaad het patroon: opklimmen op de maatschappelijke ladder.

Democratisering

Maar die emancipatie was het gevolg. De oorzaak was het streven naar democratisering, en bij Kuyper was dat gegrond in het geloof. Daarom kon hij als één van de eersten in Nederland verdedigen dat het niet alleen verantwoord is iedereen mee te laten tellen, maar dat het ook christenplicht is. Hij gaf daarvoor geen maatschappelijke, maar een theologische redenering.

In zijn Stone Lectures , gehouden in 1898 in Princeton, sprak Kuyper over het calvinisme als een beweging met een eigen voorstelling van de verhouding tot God. Die verhouding is direct en onmiddellijk. Tussen de ene mens en God staat niet een bemiddelend instituut, een kerk of priester, of de overheid, maar er is sprake van een rechtstreekse verhouding. Kuyper vond dat besef bij de reformatoren, bij Calvijn met name, en sprak over die ontdekking als een vrucht van de Heilige Geest in de historie.

Kuyper verbond dit met het begrip verkiezing. Verkiezing betekent dat de eeuwige God de mens van meet aan in het oog en in het hart heeft. Dat feit bepaalt zijn of haar identiteit. Als God de zijnen kent, bij name, dan heeft de enkele mens grond om te staan, reden om de rug te rechten, richting om te gaan. Er is sprake van roeping.

E mpowerment en identiteit

De enkele mens is krachtens zijn hoge roeping en waardigheid gehouden om het leven als een geschenk aan te nemen en ook vorm te geven. Met een modern woord zou men kunnen spreken over ‘ empowerment ’. De enkele mens, ook al is hij of zij in eigen ogen slechts gering of onbeduidend, ontvangt hier een steun in de rug, grond onder de voeten, waardigheid of met dat andere modewoord: identiteit.

Die rechtstreekse verhouding tot God heeft ook gevolg voor het leven tussen de mensen onderling. Kuyper keerde zich tegen allerlei vormen van hiërarchisch denken waarin ultieme macht en gezag werd vereenzelvigd met een aardse grootheid.

Letterlijk schrijft hij: ‘Plaatst het calvinisme heel ons menselijk leven rechtstreeks voor God, dan volgt hieruit, dat allen, man of vrouw, arm of rijk, zwak of sterk, talentvol of arm aan talent, als Gods schepselen en als verloren zondaren, niets, volstrekt niets tegenover elkander te pretenderen hebben, dat we voor God en dus ook onder elkaar als mens en volk gelijk staan, en dat er geen ander onderscheid tussen mensen mag bestaan, dan voorzover God aan de een gezag over de ander verleend heeft, of ook aan de een meer gaven schonk opdat hij er de anderen, in die anderen zijn God mee zou dienen.’ En even later besluit hij met de woorden: ‘Daarom moest het calvinisme consequent in de democratische opvatting van het leven zijn uitdrukking vinden.’

Is het een wonder dat Kuyper in Lollum door de op hun sjees daarheen gereisde boeren werd gekwalificeerd als ‘de duvel’ in eigen persoon? Hij had hun alleenrecht in de kerk gebroken, en de hegemonie van een kleine liberale elite zou ook spoedig voorbij zijn in de rest van de samenleving.

Dit is het tweede deel in een serie over de invloed van de gereformeerden