Religie in het land van de Olympische Spelen. Freek Vossenaar: Japanners beleven de godsdienst nogal luchtig

Westerlingen zoeken graag een religieuze oorsprong voor fenomenen uit de Aziatische cultuur om ze een extra mystieke lading te geven. Dat geldt ook voor de Japanse rituelen die we zien op de Olympische Spelen in Japan. Ten onrechte, aldus Freek Vossenaar, die jarenlang als Nederlandse diplomaat in Tokio werkte.

De Olympische ringen bij het stadion in Tokio.

De Olympische ringen bij het stadion in Tokio. Foto: Tamas Kovacs

Ons begrip ‘religie’ is lastig te verplaatsen naar Japan. Het woord brengt associaties met zich mee met Bijbels, theologie, bekeren en gemeenschappelijk beleefde erediensten, maar daarvan kom je in Japan niets tegen.

Boeddhisme, shintoïsme en confucianisme bestaan naast elkaar en bieden samen een licht referentiekader voor levensbeschouwelijke vraagstukken. Maar het boeddhisme is niet theologisch genoeg om als een godsdienst te classificeren, het shintoïsme als een animistische levensleer te primitief en de leer van Confucius is vooral een gedragscode. Geen van deze levensovertuigingen claimt bovendien exclusiviteit.

Niet religieus?

Daardoor is het mogelijk dat Japanners zichzelf niet religieus vinden terwijl op een bevolking van 125 miljoen mensen het aantal shintoïsten honderd miljoen is en het aantal boeddhisten eveneens. Deze religies bestaan naast elkaar en vullen elkaar op belangrijke punten aan; het hangt van de situatie af wanneer je welk kleed aantrekt.

Toen ik met Japanse vrienden de jaarwisseling vierde, kwam het hele pakket aan rituelen voorbij. Op de avond van 31 december moesten we boekweitnoedels eten, het Japanse songfestival kijken dat al zeventig jaar op oudejaarsavond wordt uitgezonden en naar een boeddhistische tempel. Daar wordt dan 108 keer een bel geluid, als symbool van de 108 zonden in het boeddhistisch geloof; de laatste bel valt net na middernacht.

Om voorspoed vragen

Op 1 januari gingen we naar een shinto-schrijn om voorspoed voor het komende jaar te vragen. Het liefst gingen we naar de beroemde Meiji-schrijn in Tokio. Je bent daar alleen niet bepaald in je eentje: de eerste drie dagen van het jaar komen daar drie miljoen bezoekers.

Zo kennen zowel boeddhisme als shintoïsme rituelen die vooral fungeren als bindmiddel voor sociale eenheid, om geboorte, dood en lijden te omlijsten, of voor steun in de dagelijkse dingen. Ze zijn niet primair een communicatiemiddel met een almachtig opperwezen. Uit dit complex aan levensovertuigingen ontstaat een haast onveranderlijke kern van wat de essentie is van het Japans-zijn. Deelname aan rituelen die samenhangen met die verschillende geloofsovertuigingen, is de manifestatie van de Japanse identiteit.


Overal in het land staan tempels

Als je door Japan reist, zie je overal schrijnen en tempels; genoeg gelegenheid voor een moment van reflectie. Japanners beleven de godsdienst nogal luchtig: shinto kent geen eredienst waar je op zondag een uur voor moet uittrekken. Als je langs een shinto-schrijn komt en de kami eer wil bewijzen of iets wil vertellen, dan loop je even binnen, klap je driemaal in de handen om de aandacht te krijgen van de geesten, prevel je wat, koop je misschien een amulet om je door een examen te helpen en je gaat weer.

Slechte geesten hou je weg door reinheid, de kleur van shinto is dan ook wit. Het strooien van zout in de sumo-ring, het bergje zout naast de ingang van een huis of restaurant en het water sprenkelen zijn gangbare zuiveringsrituelen. Het schoonhouden van de omgeving komt uit dezelfde reinheidsdrift voort. Japanners zelf zien deze handelingen als logisch of gangbaar, desnoods als ‘typisch Japans’, maar niet als religieus. Op metafysische vraagstukken biedt shinto geen antwoord, net zomin als het boeddhisme, die tweede religie van Japan.

In de praktijk zijn al deze spirituele achtergronden en gedragscodes versmolten tot een typisch Japans referentiekader waarin absolute regels ontbreken. Ze vormen de componenten van de mal waarin Japanners zijn gegoten. Religie is geen godsdienst maar identiteitsbeleving. De weg en de waarheid zijn niet vastgelegd maar afhankelijk van de situatie. Zonde en schuld zoals wij dat kennen, een knellend geweten en vergeving, dat vinden we in Japan niet terug. Daarvoor in de plaats is het leidende gevoel schaamte vanwege het schenden van het vertrouwen van de groep: een sociale pijn.


Animisme en shinto bij Marie Kondo

In het werk van opruimgoeroe Marie Kondo zie je veel animistische elementen en shinto-ideeën terug. Sinds in 2019 de documentaire Tidying Up bij Netflix verscheen, is Kondo de ongekroonde koningin van het opruimen. Haar methode draait om de vraag: verschaft een voorwerp in je omgeving je vreugde – ‘Does it spark joy?’ Als het antwoord ‘nee’ is, moedigt Kondo ons aan om het voorwerp te bedanken voor zijn dienst en het te laten gaan.

Voor objecten die wel vreugde opwekken, stelt Kondo een plan op om die objecten te eren door ze op de juiste manier schoon te maken en op te bergen. Ze begint haar schoonmaak met het begroeten van een huis, ze maakt boeken ‘wakker’ door ze op hun rug te tikken en kleedt zich in een witte jurk zoals het in shinto betaamt. Ze kent de gebruiken, want als middelbare scholier werkte ze een paar jaar in een shinto-schrijn.

Westerse media zoeken graag een religieuze oorsprong voor fenomenen uit de Aziatische cultuur om ze een extra mystieke lading te geven. In het geval van Kondo is shinto op de achtergrond ergens aanwezig, maar draait haar faam vooral om een gezonde portie Japans minimalisme. Japanners zien er niet meer in dan een hulp bij opruimen.

Bijgeloof is wijdverspreid

Japan is in veel opzichten een erg modern land en het belang van wetenschap is onomstreden, maar bijgeloof is wijdverspreid. De gedragsregels om de gene zijde niet tegen de haren in te strijken zijn bijkans oneindig. Dus je kunt maar beter niet fluiten ’s avonds op straat want dat trekt slangen aan, en zet je eetstokjes niet rechtop in de rijst want dat heeft iets te maken met de dood. Waarzeggers zijn voor veel Japanners een waardevol kompas.

Een opvallend fenomeen zijn yakudoshi , zoiets als ‘rampzalige jaren’, die horen bij het kalenderjaar waarin je een bepaalde leeftijd bereikt die in Japan traditioneel als ongelukkig wordt beschouwd. Zoiets als vrijdag de dertiende, maar dat dan een heel jaar lang. Voor mannen is dat het kalenderjaar waarin ze 25, 42 en 61 worden, en voor vrouwen waarin ze 19, 33 of 37 worden.

Sterrenbeelden

Het jaar waarin je geboren bent is ook al zo’n duidend fenomeen en vertelt veel over hoe je bent als persoon, te vergelijken met onze sterrenbeelden. Japan kent de twaalfjarige cyclus van de Chinese dierenriem. Ik ben bijvoorbeeld geboren in het Jaar van de Haan en dat betekent dat ik creatief ben, toegewijd, op zoek naar wijsheid, dat er in mij een goede soldaat dan wel restauranteigenaar schuilt en dat ik niet zo goed overweg kan met personen die geboren zijn in het Jaar van het Konijn.

Je bloedgroep heeft eveneens grote invloed op je persoonlijkheid en je kans op succes. Ergens in het begin van de twintigste eeuw heeft een Japanse professor bestudeerd hoe bloedgroepen en temperament samenhangen, en zijn werk echoot nog na. In 1925 deed het leger onderzoek om gevechtseenheden in te delen op basis van bloedgroepen, en in 2008 nog werd het Japanse softbalteam op basis van bloedgroepen samengesteld. Ze wonnen goud op de Olympische Spelen.

Dit is een bewerkt hoofdstuk uit Kijken in de ziel van Japan . Freek Vossenaar. Uitgeverij Balans. 21,99 euro

Tijdens de Olympische Spelen besteedt het Friesch Dagblad aandacht aan de beleving van het geloof in Japan. Dit is deel 1 uit die reeks.