Vakantie is een prima gelegenheid om eens te kijken wat we allemaal meesjouwen. En of het misschien niet tijd wordt om dat achter te laten?

De zomermaanden zijn een bijzondere tijd. Een periode om te ontspannen, nieuwe dingen te ontdekken en vrij te zijn. Hein Stufkens staat stil bij woorden die met deze tijd te maken hebben. Vandaag deel 1: vakantie.

Vakantie is een moment om je in een weldadige leegte onder te dompelen.

Vakantie is een moment om je in een weldadige leegte onder te dompelen. Foto: EPA

Zomer en vakantie. Woorden die zo vanzelfsprekend bij elkaar horen. Hoewel ze tegenwoordig concurreren met herfstvakantie, kerstvakantie, wintervakantie, krokusvakantie, voorjaarsvakantie. Soms lijkt het of we van vakantie naar vakantie leven en de tussentijd op de koop toe nemen. Dan kan je eigenlijk beter elke dag vakantie nemen.

Dat advies kreeg ik ooit van mijn zenleraar. Gewoon stil gaan zitten, al is het maar een kwartiertje, ademen, en alle sores van je af laten glijden. Vakantie: afgeleid van het Latijnse woord vacare , leeg zijn. Er is niet meer voor nodig dan een beetje moed om de angst voor het vacuüm te trotseren. En je dan in die weldadige leegte onder te dompelen. Leeghoofd te worden.

Kwaliteit van leven

Ik heb gaandeweg geleerd om leeghoofd niet als een scheldwoord te zien. Ik ben leegte juist gaan waarderen als een onmisbare kwaliteit van leven. Wegwijzers daartoe vind je in alle culturen. Neem bij voorbeeld het Chinese wijsheidsboek Tao Teh Tsjing , waarin het grote nut van de leegte zo wordt beschreven:

De dertig spaken verenigen zich in de naaf.

Van de leegte hangt het gebruik van het wiel af.

Men kneedt leem tot vaten.

Van de leegte hangt het gebruik van het vat af.

Men hakt deuren en vensters uit om een huis te maken.

Van de leegte hangt het gebruik van het huis af.


Zulke dingen worden vaak beter duidelijk in een verhaal, zoals dat over die man die op een dag door zijn leraar werd uitgenodigd om zijn drukke leventje achter zich te laten en bij hem in zijn kluis – zijn ‘kluizenaarswoning’ - in het bos te komen wonen.

De man ging op weg, maar nam een enorme hoeveelheid bagage mee: zijn hobo en allerlei andere spullen die hij dacht nodig te hebben. Hij sjouwde ook een grote plunjezak mee vol oude pijn, en koffers vol ideeën, oordelen en vooroordelen waar hij aan gehecht was.

Tijdens zijn reis naar de kluis van zijn leraar overnachtte hij in de bossen. En telkens verscheen er dan een dief met een witte baard die iets van zijn bagage meenam. Uiteindelijk kwam hij bij zijn leraar aan met enkel nog de kleren die hij droeg.


Dief in de bossen

Het eerste wat hij deed was de leraar op de hoogte stellen van het feit dat er in de bossen een dief rondwaarde die ’s nachts toesloeg. De meester draaide zich om en gaf iemand de opdracht daar iets aan te gaan doen. Maar toen zag de leerling een witte baard uit de broekzak van de meester hangen, en er stak ook een stukje riet uit van de hobo die van hem gestolen was!

De boodschap is duidelijk: als je niet ‘leeg’ bent kun je niet verder komen op de innerlijke weg. En een goede leraar helpt je om je gehechtheid aan je bezittingen en aan je oordelen, meningen en overtuigingen over jezelf, de anderen en de wereld los te laten. Dus wil je iets van de innerlijke weg kunnen vatten, dan moet je een leeghoofd worden.

Kloosters en kerken

De vakantie is daar een mooie gelegenheid voor. Zo bezoek ik op reis graag kerken en kloosters. En als ik dan in een eeuwenoude kloostergang ga zitten kan ik soms ervaren wat Catharina Visser over zo ’n plek schreef, in haar boek Schrijven in het zand: :

‘Er is een kloosterhof die zich heeft gevestigd in mijn binnenste; net zo goed heb ik mij onzichtbaar gevestigd in die kloosterhof. De kloosterhof heeft zich in mij gevestigd op de plaats waar ik zelf leeg ben. En dit is wat de kloosterhof mij leert: dat vanuit de tijd langzaam het blijvende groeit, het Eeuwige. En in het Eeuwige zink ik tenslotte dieper binnen.

Ik word één met mijn geliefden en zij met mij, en ik word één met vrienden en vreemden die eerst buiten mijn kloosterhof leefden. Dit alles vindt plaats in de hof van mijn hart, waarin de tranen van de bedroefden druppen en het lied van de liefde zichzelf zingt.’

Hein Stufkens(1947) is schrijver/dichter, filosoof en leraar