We leven niet in een geestelijk maanlandschap, vindt Koo van der Wal. 'De werkelijkheid heeft mysterieuze trekken. Dat wekt verwondering.'

We hoeven niet te leven in een geestelijk maanlandschap, vindt Koo van der Wal. De filosofie heeft ons dat wel verteld, eeuwenlang. Maar het valt niet te ontkennen dat onze wereld een mysterie ademt, dat ons verstand te boven gaat.

Auteur Koo van der Wal.

Auteur Koo van der Wal. Foto: Marco Keyzer

Filosofie is niet voor iedereen een hobby, en zeker niet de filosofie op academisch niveau. Maar een goede gids maakt veel verschil. Koo van der Wal (1934) is zo’n gids, en hij vertelt in zijn nieuwe boek, Filosofie en spiritualiteit , dat je je niet ‘een beetje dom’ hoeft te voelen als je ergens in gelooft. Hij legt uit dat dit wél de strekking is geweest van veel filosofie, maar ten onrechte. Hij pleit voor een ‘open levenshouding’, met oog voor de ‘diepte’ en het geheim van de werkelijkheid.

Dit laatste is iets spiritueels, en je kunt daar met gemak iets godsdienstigs bij bedenken. Wie dat wil, kan de lijn die Van der Wal schetst, doortrekken naar het besef dat onze werkelijkheid getuigt van een ‘meer dan aards geheimenis’: de hand van de Schepper, zoals dichter Jan Wit het ooit omschreef in een bekend kerklied.


Levenswijs

Het is niet veel mensen gegeven om op hoge leeftijd nog boeken te publiceren die ook echt iets nieuws bevatten. Van der Wal, de 85 alweer gepasseerd, slaagt daar echter moeiteloos in: zijn nieuwe boek is helder en precies geschreven, is inhoudelijk relevant en mikt op levenswijsheid. Zijn kritische instelling maakt ruimte voor een spirituele levenshouding, waarin besef van menselijke waarde en religieuze verwondering kan opbloeien.

Van der Wal werd geboren in Sneek. Hij bracht de oorlogsjaren door in de pastorie in Gaastmeer, waar zijn grootvader predikant was . Als tiener verhuisde hij naar het Westen, en na diverse universitaire studies en docentschappen werd hij hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam, en daarna aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. De laatste jaren, dus ruim na zijn pensioen, heeft Van der Wal veel van zich laten horen, wat publicaties betreft. Die kenmerken zich allemaal door een bezorgdheid over de heilloze koers die de westerse samenleving kenmerkt. Dan gaat het om thema’s als ethiek, natuur en milieu, en het verlies van zingeving.


Gereformeerd milieu

Van der Wal groeide op in een gereformeerd milieu, en hoewel hij daar nu een zekere distantie toe heeft, hoor je in zijn werk voortdurend echo’s van een diep-christelijk levensbesef: we leven niet zomaar, maar zijn als mens in ons diepste wezen aangesproken door de Schepper. Er wordt een appel op ons gedaan om verantwoordelijkheid te nemen voor mens en natuur. In politiek-levensbeschouwelijke zin is Van der Wal sterk verwant aan iemand als Bob Goudzwaard. De fundamentele, en zeker ook morele betrokkenheid bij mens en wereld waarover hij schrijft, kan niet zonder een spiritueel besef of geloof, wordt duidelijk uit zijn werk.

Boeken van Van der Wal uit de laatste jaren, waarin hij het bovenstaande engagement naar voren brengt, zijn Humaniteit (2008), Nieuwe vensters op de werkelijkheid (2012), Op zoek naar de ziel van Europa (2018), Symfonie van de natuur (2020), nu dus Filosofie en spiritualiteit .

Het vertrekpunt van Van der Wals betoog wordt gevormd door de problematische status van spiritualiteit. Simpel gezegd: wie over ‘hogere dingen’ praat, over religie, spiritualiteit of geloof - die zuigt uit zijn dikke duim. Zo wordt er gedacht, zeker door de intellectuele elite. Dit is een gevolg van de marginalisering van het spirituele (of ‘ideële’, zoals Van der Wal het ook wel noemt), door de hoofdstroom van de moderne filosofie. Verbonden daarmee is de heilige status van de natuurwetenschappen.

Maanlandschap

Als gevolg van de cultuurperiode van de Verlichting, schrijft Van der Wal, werden ‘God, de mens, de kunst, de politiek, de utopie etc. doodverklaard en zijn wij op die manier met een geestelijk en sociaal maanlandschap achtergebleven, waarin nog maar moeilijk te leven en te ademen valt.’

Dit probleem schetst hij aan de hand van vele voorbeelden, ook met dichtregels van Friedrich Schiller (1759-1805), een van de eerste dichters die hebben gereageerd op de kaalslag van de Verlichting. Schiller verwees naar de Griekse godenwereld, om het verlies van het goddelijke aan te duiden. Die godenwereld ervoer hij als een spirituele rijkdom in vergelijking met de barre leegte van een rationalistisch wereldbeeld. Rondziend in de natuur stelde Schiller vast: ‘Uitgestorven treurt het veld, / geen godheid vertoont zich aan mijn blik. / Ach, van dat levenswarme beeld / bleef slechts een schaduw achter.’


Houdbare kennis

Van der Wal laat het hier echter niet bij, hij gaat ook in detail na wat er precies is gebeurd in de filosofie en in de westerse cultuur. Het grote ijkpunt in de westerse cultuur werd de natuurwetenschap, die de enige houdbare kennis zou produceren. Houdbare kennis, dat wil zeggen: kennis op basis van zintuiglijke waarneming en rationele doordenking. Anders gezegd: meten is weten, en de rest is onzin.

Dit besef is zo sterk doorgedrongen in onze cultuur, dat er een spiritueel maanlandschap is ontstaan. Tegelijk hebben talloze mensen, ook buiten de kerken, een sterk besef dat er toch meer moet zijn: dat mensen geen brok biologie zijn, slechts een opmerkelijk maar zinloos bijproduct van evolutie. Nee, wij ervaren dat het bestaan waardevol is, dat het leven zinvol geleefd wil worden.



Nieuw natuurwetenschappelijk inzicht

Dit laatste, dat er sprake moet zijn van zin- en waardebesef, behoorde vanouds wél bij de filosofie, onderstreept Van der Wal. En zo zou het vandaag ook weer moeten zijn. Een tamelijk dwingende reden om vandaag de filosofie in deze zin te verbreden en ook ernst te maken met spiritualiteit, heeft interessant genoeg juist ook weer te maken met nieuw natuurwetenschappelijk inzicht.

De oude wetenschappelijke logica, dat je dingen kunt verklaren uit waarneembare oorzaken, schiet tekort: we moeten veel breder denken over oorzakelijkheid, over ontwikkelingen in de natuur en in de mens, zoals doelmatige tendensen in de natuur. Dit klinkt misschien ingewikkeld, maar Van der Wal legt het prima uit, vooral ook omdat hij koers zet naar iets wat je intuïtief meteen snapt: de werkelijkheid is een mysterie, een geheimenis, iets wat ons te boven gaat. En eerder dan dat we er met een afstandelijke blik naar kunnen kijken, maken we er deel van uit.

Goddelijk mysterie

In de tweede helft van zijn boek, werkt Van der Wal dit helemaal uit: de nauwe verbondenheid van mens en natuur, in die zin dat beiden doortrokken zijn van een goddelijk mysterie. Dat geeft een spiritueel besef, een ervaring van het heilige of sacrale. Zoals gezegd, je kunt op basis van het christelijk geloof hier heel goed verder denken, in het spoor dat Van der Wal schetst. Zelf is hij wat dit betreft terughoudend: hij wil het breed houden, voor lezers met uiteenlopende levensbeschouwelijke oriëntaties.

Het woord God wil Van der Wal wel gebruiken als aanduiding voor de ‘allesdoortrekkende scheppingskracht van de realiteit’. Maar hoe specifiek of juist breed geformuleerd ook, de kaarten liggen er duidelijk bij: dat er in onze werkelijkheid sprake is van ‘meer’ dan iets louter natuurlijks, vormt de kern van de spiritualiteit waar Van der Wal ruimte voor wil maken.

In zijn eigen woorden: ‘de werkelijkheid waarin wij leven draagt diep mysterieuze trekken, wat ons alleen maar bewondering en verwondering kan inboezemen’. Dit alles leidt tot eerbied, het biedt ‘zin’ en brengt ons bij verantwoordelijkheid voor alles wat leeft, maakt Van der wal duidelijk in dit voortreffelijke boek.

Filosofie en spiritualiteit. Leven en denken vanuit een ideële inspiratie. Koo van der Wal. Gompel&Svacina. 29,90 euro