Dit artikel is vandaag gratis

Wessel ten Boom werd bevangen door een messiaans vuur: een geloof dat een betere wereld aanstaande was | In memoriam

Wessel ten Boom, begin 2021. Foto: Sjef Prins

Theoloog Wessel ten Boom overleed zaterdag. Zijn studievriend Coen Wessel herinnert hem als iemand die leed aan de kerk en aan de westerse cultuur, maar die inspiratie vond in Jezus Christus.

De eerste keer dat ik bij Wessel op zijn studentenkamer kwam eten, lag er een lp van Bob Dylan op de draaitafel. Muziek over ‘ the times they are a-changing ’ en liedjes vol verlangen naar verloren liefdes. In een klassieke boekenkast stonden bijna alle romans van Simon Vestdijk. Een peertje met een bruin papieren zakje van de groenteboer als lampenkap verlichtte de kamer. Wessel was hier duidelijk in zijn element: dit was zijn sfeer, dit was zijn huis en zijn leven. Hier stond een man die schijnbaar helemaal thuis was bij zichzelf.

Wessel ten Boom was een persoonlijkheid, een man die zijn eigen gang ging in zijn leven, in de theologie en in de letteren. In gezelschap was hij een gangmaker. Hij bezat een aanstekelijke vrolijkheid. Maar Wessel had ook wonden. Er waren liefdes waar hij zo volledig in op ging, dat de liefde niet houdbaar was.

Hij leed aan de kerk en aan de westerse cultuur. Dat maakte zijn leven zwaar, maar zijn wonden waren ook een bron van creativiteit en geloof. Het maakte hem ook dierbaar en geliefd als vriend en theoloog: wat hij zei was geen lesje, maar was ontvangen, doorleefd en bevochten.

Een betere wereld

Wessel werd gegrepen door het geloof toen hij in de kerstnacht van 1977 een preek hoorde. Plotseling begreep hij dat hij in zijn leven niet aan zichzelf en zijn eigen verdriet overgeleverd was, maar aan God. Een paar maanden later las hij De christen in de Maatschappij van de theoloog Karl Barth en een boekje van Friedrich Engels, de metgezel van Karl Marx.

Wessel werd bevangen door een messiaans vuur: een verlangen om de wereld niet alleen te verbeteren, maar vooral ook een geloof dat die betere wereld aanstaande was. Hij besloot theologie te gaan studeren. Zijn vicariaat deed hij in de DDR. Hij wilde daar christen in en voor het socialisme zijn. Er waren meer theologen behoorlijk links in die jaren, maar dit was toch wel de buitencategorie.

De DDR verdween en Wessel zag dat het anders moest. In de jaren negentig legde hij zich toe op de studie van de Berlijnse theoloog Friedrich-Wilhelm Marquardt. Wessel schreef enthousiaste recensies over de zeven dikke delen van Marquardts dogmatiek, maar voelde ook de behoefte om meer een theoloog op eigen benen te worden. Voor zijn promotie onderzocht hij hoe Augustinus over de Joden sprak. Bij Augustinus ontdekte nog eens te meer de vrijheid en het lef om zelf theologie te bedrijven. Als theoloog kan je je niet verschuilen achter de theologische traditie of achter ‘de slachtoffers van kerk en wereld’, je moet zelf op genade of ongenade spreken.

In gesprek met de Europese cultuur

Hij ging dat doen als redactiesecretaris van tijdschrift In de Waagschaal . Hij schreef over de moeite van de kerk om echt te leven vanuit Gods genade. Er verscheen een prachtig boek over zijn reizen door Duitsland en zijn confrontaties met Duitse dichters en filosofen. Wessel was een orthodox theoloog, maar wel eentje die nadrukkelijk het gesprek met de Europese cultuur zocht.

Over de dichters Nijhoff, Gorter, Henriëtte Roland Holst en Pessoa schreef hij erudiete essays. Over Rilke en Vestdijk publiceerde hij aparte boeken. Hij hemelde hen niet op, maar zocht met hen naar het verdriet, het onvermogen, het verlangen en de glorie van hun werk. Hij liet zien dat God toch nooit heel ver weg is in hun werk. Theologisch bleef hij actief. Hij publiceerde vertalingen van Karl Barth waar hij doorwrocht commentaar bij gaf.

Reflecteren op zijn ziekte

Drie en een half jaar geleden kreeg Wessel te horen dat hij een ongeneselijke vorm van kanker had. Hij ging door met leven, met schrijven en preken. ‘Ziekte hoort bij het leven en ook sterven hoort bij het leven’, vond hij.

Aan een groeiende groep lezers schreef hij meer dan dertig e-mail-brieven waarin hij reflecteerde op zijn ziekte. ‘Hoe verdrietig ook, heel zwaar valt me het idee om te sterven (nu nog) niet. De dood is nooit ver uit mijn gedachten, wat tevens de frivoliteit verklaart die ik denk ik (ook) heb. Dat wij mensen sterfelijk zijn heb ik altijd als een grote troost ervaren, want ook het leven moet worden overwonnen want zo een feest is dit leven niet.’

In zijn eerste brief schreef hij: ‘Ik vrees dat ik iemand ben die in zijn leven bovengemiddeld veel verdriet heeft gehad. Maar ik weet zeker dat ik ook iemand ben die ver bovengemiddeld veel geluk heeft gekend. In de liefde, in de schone letteren, en bovenal in het geloof. En hoe!

Het klinkt idioot, maar ik beschouw het hebben leren kennen van Jezus Christus voldoende reden om ooit te hebben bestaan, maar ook om te sterven... Ik kan het geluk nauwelijks beschrijven wat het horen en lezen van en over Christus mij in mijn leven heeft gedaan en doet, en misschien nog wel steeds meer. Laat dit een troost zijn voor ons allemaal.’

Coen Wessel is predikant van de Protestantse Gemeente te Hoofddorp. Hij leerde Wessel ten Boom kennen als studiegenoot tijdens de opleiding theologie aan de Universiteit van Amsterdam

Nieuws

Meest gelezen