De strijd om de vrijheid in Lollum: hoe dominee De Haas de kerk deed scheuren | Serie: De gereformeerden

Wie bepaalde vroeger wie als er dominee op de kansel kwam? Niet de kerkenraad, maar mensen met een boerderij. Zo ook in Lollum. Tot de kerkleden het niet meer pikten.

De Hubertuskerk in Lollum, de plek waar heel wat hervormde dominees stonden.

De Hubertuskerk in Lollum, de plek waar heel wat hervormde dominees stonden. Foto: Simon Bleeker

In 1874 werd de Hervormde Gemeente van Lollum, een dorp aan de rand van de Greidhoeke tussen Franeker en Bolsward, vacant doordat ds. G. Landweer met emeritaat ging. Hij zal dat zelf hebben meegedeeld in een kerkdienst.

Waarschijnlijk was de kerkenraad al op de hoogte door een mondelinge mededeling. In gedachten zien wij die kerkenraad nu actief worden: er moet een beroepingscommissie komen, een profiel worden opgesteld, de preekvoorziener moet de opengevallen zondagen invullen, en wie gaat al dat pastoraat doen?

Buurgemeenten

In 1874 gebeurde er van dat alles niets. Als er een gemeente vacant raakte, benoemden de predikanten uit de buurgemeenten (de zogenaamde ‘ring’) een consulent. Die zat de kerkenraadsvergaderingen voor en deed, als het nodig was, catechese en pastoraat.

Dezelfde ring stelde ook een rooster op voor de preekbeurten in vacaturetijd. Een preekvoorziener kwam daar niet aan te pas. Zelfs bij de vraag wie de nieuwe dominee moest worden, speelde de kerkenraad geen enkele rol. Hoe kon dat?

Fryslân stond vanouds bekend om zijn vrijheid: er was geen leenheer of staatshoofd, en voor alle belangrijke bestuursfuncties werd er gestemd. Maar het was ook weer niet zo dat alle meerderjarige inwoners automatisch stemrecht hadden. Ieder dorp had een aantal stemmen, en die stemmen waren gekoppeld aan de boerderijen die groot genoeg waren om grondbelasting van te heffen.

Voor de Middeleeuwen was dat al het toppunt van democratie. Op veel plekken in Europa bestond niet zoiets als stemrecht.

Pachtboerderijen

Dat systeem gold in 1874 nog steeds in de kerk. Alleen, er waren wel een paar dingen veranderd. Ten eerste was het stemrecht gekoppeld aan de eigendom van de betreffende boerderij. Vanouds waren alle boerderijen van de boer of diens familie. Maar in de loop der eeuwen waren veel boerderijen pachtboerderijen geworden. Dat betekende dat de eigenaar het stemrecht had, niet de gebruiker.

In de tweede plaats was de lijst van stimhawwende pleatsen nooit bijgewerkt. Een boerderij kon zijn verdwenen, maar dan was het stemrecht nog steeds gekoppeld aan het perceel waar ooit het gebouw had gestaan. Kwam er ergens een nieuwe boerderij, dan had die geen stemrecht.

In Lollum waren er vanouds zestien ‘stimhawwende pleatsen’, dus zestien stemmen. Daarvan was er precies één in handen van een dorpsbewoner: Jan Hendrik Wijnia. Tenminste negen andere stemmen waren in handen van eigenaren elders: de adellijke familie Van Haersma de With uit Buitenpost, bankdirecteur en kamerlid mr. G. Schot uit Franeker, zakenman en bestuurder Frederik Otto Sleeswijk uit Lemmer, enkele notabele families uit Leeuwarden en Workum.

Uit Lollum zelf had verder niemand een stem, behalve de diaconie als eigenaar van een boerderij en de kerkvoogdij. Maar de kerkvoogden waren door dezelfde grondbezitters benoemd. De predikant werd dus gekozen door mensen die niet in het dorp woonden en die nooit onder zijn gehoor zouden zitten.


Amper bewegingen

Eeuwenlang was dat goed gegaan, omdat er ook weinig te kiezen was. De theologische verschillen tussen de ene predikant en de andere waren klein. Er waren amper bepaalde bewegingen of stromingen binnen de kerk, waarmee men zich kon identificeren. De meeste mensen lazen nauwelijks. Maar dat veranderde allemaal in de negentiende eeuw. De geletterdheid steeg snel, en mensen maakten zich druk om het zingen van alléén Psalmen of toch óók Gezangen, over de mogelijkheid van wonderen, de goddelijkheid of menselijkheid van Jezus, het gezag van de Bijbel. Er waren minimaal vijf richtingen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, en de verschillen waren aanzienlijk.

In deze tijd verwachtte de gemeente geestelijke leiding van een kerkeraad. Waar staan we voor, wat willen we onze kinderen meegeven, wat kan wel en wat kan niet in onze gemeente? Die vragen waren allemaal brandend actueel. Alleen, de kerkenraad had geen enkel instrument om die nieuwe taak uit te voeren. De kerkenraad stond zelfs bij het zoeken van een predikant geheel en al buiten spel.

Geen invloed

Maar ook toen de verkiezing eenmaal bij de leden van de gemeente was neergelegd - dat gebeurde in 1875 - bleef de kerkenraad gehandicapt. De kerkorde gaf namelijk geen mogelijkheid om een predikant die eenmaal was beroepen, bij te sturen of zelfs maar het gesprek met hem aan te gaan. Men had geen invloed op de catechese of de toelating tot belijdenis, doop en avondmaal.

De grootgrondbezitters deden weliswaar niet meer mee, maar de predikanten waren onaantastbaar. Een gemeente kon alleen maar hopen, dat een eenmaal beroepen predikant zou passen en blijven passen bij de gemeente. Er was geen enkele mogelijkheid tot gesprek of bijsturing. Als men beseft, hoe explosief de situatie op dat moment was in kerkelijk Nederland, is zo’n bestel een regelrechte tijdbom.

Papieren paus

In Lollum ging die tijdbom af tijdens de vacature van ds. J. Langhout in 1883. Hoewel de meerderjarige mannelijke lidmaten nu gerechtigd waren een nieuwe predikant te kiezen, was de rest van het oude systeem nog intact. De kerkenraad had niets te zeggen over waarneming en preekbeurten. En zo kon het gebeuren, dat in het orthodoxe Lollum de links-vrijzinnige dominee De Haas de kerkgangers voorhield: ‘De Bijbel? Dat is een papieren paus, die jullie zo snel mogelijk moeten afschaffen!’

Pogingen om voortaan de preekbeurten van De Haas te ruilen met iemand die beter in Lollum paste, strandden op het reglement. Toen De Haas in de volgende vacature (in 1886) dus toch weer in Lollum kwam, koos men voor een boycot: de kerk was op slot, de klok werd niet geluid, De Haas kon zijn rijtuig nergens stallen, en in het hele dorp was er geen levende ziel te bekennen. Razend ging De Haas terug naar zijn pastorie in Winsum, waar hij meteen een brief op poten aan de classis stuurde. De classis bestrafte, op basis van het reglement, de Lollumers met een berisping.

Lont in het kruidvat

Dat was het moment, dat de lont in het kruidvat kwam. De Doleantie van Abraham Kuyper was net een jaar gaande, en de Lollumers hoefden niet lang na te denken. ‘As it hjir sa moat, sille wy ús sels wol rêde!’ De band met de Nederlandse Hervormde Kerk werd opgezegd, en de hele gemeente ging in 1887 over naar de Gereformeerde Kerken. De mensen hebben dat ervaren als een bevrijding: eindelijk kon men als gemeente zélf een koers bepalen en daar ook uitvoering aan geven.

Binnen de kortste keren ontstond er bloeiend systeem van catechese en vorming voor jong en oud. Naast de kerk kwam een aantal verenigingen, allemaal opgezet volgens het democratische principe. En er kwam een kerkblad, met de veelzeggende titel: Onze Eigen Kerk .

Dit is deel 1 in de serie De gereformeerden

Serie De gereformeerden

In de negentiende eeuw ontstonden overal in in Europa moderne samenlevingen. Na verschillende revoluties kozen bijna alle vorsten eieren voor hun geld en zegevierde de parlementaire democratie. Maar kregen gewone mensen daarmee ook iets te zeggen over hun eigen leven? Daar gingen nog tientallen jaren overheen van een langdurig en moeizaam proces. Een proces dat, opmerkelijk genoeg, begon in de kerken. In deze serie wordt dat belicht aan de hand van zes plaatselijke en persoonlijke verhalen. Prof. dr. Kees van der Kooi en dr. Liuwe H. Westra voormalig predikant in Lollum, gaven de aanzet voor de serie die in het Friesch Dagblad zal verschijnen.