De overheid kan de woningmarkt sturen - kijk naar het goede voorbeeld van burgers l Commentaar

Steeds meer burgers zetten de woningmarkt naar hun hand. De overheid kan er een voorbeeld aan nemen: als particulieren het op kleine schaal kunnen, moeten rijk en gemeenten op grote schaal zeker kunnen doorpakken.

Een bord woonwijk in aanbouw bij een nieuwbouwproject.

Een bord woonwijk in aanbouw bij een nieuwbouwproject. Foto: Sem van der Wal

De woningmarkt is er voor bewoners, en niet voor speculanten - die opvatting dringt steeds meer door in Den Haag. Er is wetgeving in voorbereiding die beleggers de voet dwars zet. Nu kopen zij vaak voor de neus van starters en gezinnen woningen weg door fors meer te bieden dan de vraagprijs. Ze verdienen hun investering makkelijk terug door tegen hoge prijzen te verhuren. Door te bepalen dat kopers een paar jaar zelf in hun woning moeten wonen voor ze hem weer mogen verkopen, hopen gemeenten dat tegen te gaan. Het is nodig, want het percentage beleggers onder huizenkopers in een paar jaar tijd verdubbeld. In de centra van de grootste steden betreft het intussen ongeveer een derde van de transacties.

Alleen aan starters

Bemoedigend is dat particulieren die situatie zelf ook scherp zien en er zelfbewust naar handelen. De woningmarkt is niet alleen vóór maar ook ván bewoners, dragen zij uit. Dat varieert van een Leeuwarder die zijn huis voor een zachte prijs verkoopt aan zijn buurjongen die er als dertiger niet in slaagt zelf iets te kopen, tot een bijna honderdjarige in Haarlem die de makelaar opdraagt haar flat alleen aan starters aan te bieden en zeker niet aan een speculant.

Die houding begint de overheid ten langen leste ook meer aan te nemen. Dat komt in een volgend kabinet hopelijk tot wasdom. Het betaalbaarder en toegankelijker maken van de bestaande woningvoorraad is maar één aspect van de opdracht. Zo’n opkoopbescherming in de vorm van een gebiedsverbod voor beleggers is maar een druppel op de gloeiende plaat. Illustratief is de berekening die demissionair minister Ollongren afgelopen week presenteerde: er is twintig miljard rijksbijdrage nodig om veertien grote woningbouwplannen te helpen realiseren. Met dat geld blijven ze betaalbaar en worden de wijken van infrastructuur (wegen, stations, verlichting) voorzien. En dit bedrag is nog maar een fractie van de investeringskosten (142 miljard) en ook maar een deel van wat aan nieuwbouw nodig is; deze wijken zouden 440.000 woningen opleveren, terwijl er de komende tien jaar ongeveer een miljoen nodig zijn.

Grondrecht

Duidelijk is dat een ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening weer dringend nodig is. Er liggen veel opdrachten: milieuvriendelijke, energiezuinige woningen, snellere procedures, betaalbare prijzen, doorstroming, meer eenpersoonswoningen, ombouw van kantoren en winkels tot woningen, enzovoorts. Dat kan niet overgelaten worden aan private partijen; het woord ‘woningmarkt’ is een misverstand. Wonen is een grondrecht en het bevorderen van voldoende woongelegenheid is ‘een voorwerp van zorg der overheid’ volgens artikel 22 van de Grondwet. Een minister die zich gericht met wonen bezighoudt, is geen luxe.