Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
dinsdag 19 juni

Analysedonderdag, 14 augustus 2003

Een te rooskleurig beeld van transplantaties
Tijd voor kritische discussie

Transplantatiegeneeskunde is zich hard aan het ontwikkelen. Maar in het gangbare denken daarover worden levensbeschouwelijke vragen gemeden. Vragen als: wie en wat is de mens, hoe verhoudt zich de mens tot zijn lichaam en wat gebeurt er als iemand sterft. Vanuit de geneeskunde en de overheid wordt gepretendeerd ‘neutraal’ en ‘objectief’ informatie te geven. Maar dat kan niet. De transplantatiegeneeskunde problematiseert de grenzen tussen dood en leven op een geheel nieuwe wijze en dat raakt het levensbeschouwelijk denken.

ANNE MARIE BODEWES
In de tien jaar dat ik als geestelijk verzorger in het Academisch Ziekenhuis Groningen werkte, maakte ik beide kanten van de transplantatiegeneeskunde mee: Ik kreeg te maken met de kant van de gever, de hersendode patiënt, waarbij de vraag was of de organen beschikbaar werden gesteld voor transplantatie. Ik kreeg ook te maken met de kant van de ontvanger, de ernstig zieke, die hoopte door middel van een transplantatie weer gezond te kunnen worden. Ik zag dat de rationele en objectiverende wijze waarop binnen de geneeskunde en vanuit de overheid met transplantatie wordt omgegaan, op gespannen voet staat met de werkelijkheid, de resultaten en de ervaring van mensen.

De moeilijkste vraag

Een 69-jarige mevrouw heeft een hersenbloeding gehad. Haar man en twee dochters zijn aanwezig in het ziekenhuis, zij zien hoe een broeder een nieuw infuus aansluit. Zij denken dat dit gebeurt om haar leven te redden. In feite zijn de eerste handelingen in gang gezet voor de orgaandonatie. Een arts heeft inmiddels het registratiesysteem geraadpleegd, maar ziet daar dat zij de formulieren daarvoor nooit heeft ingestuurd. Daarom wordt de familie gevraagd of zij toestemming wil geven voor donatie. ‘De moeilijkste vraag, op het moeilijkste moment’. De man en zijn dochters moeten tegelijkertijd begrijpen dat hun vrouw en moeder sterft én beslissen of zij toestemming voor donatie willen geven. Uiteindelijk bedenken ze dat moeder zich altijd heeft ingezet voor mensen die het moeilijk hadden. Daarom geven ze maar toestemming. In het sterfproces van deze mevrouw wordt nu ingegrepen omwille van de donatie. Om het leven te redden van anderen, onbekende anderen.
En is het trouwens wel terecht dat rondom het sterfbed een beroep gedaan wordt op waarden als solidariteit en naastenliefde?
In de christelijke traditie staan deze waarden in een levende relatie met de ander en de Ander. In de lijdende medemens herkennen we Christus, die gezegd heeft: ‘Wat gij voor de minste der mijnen hebt gedaan, hebt gij voor Mij gedaan.’ Deze relationele wisselwerking tussen jezelf, de ander en de Ander is uitgerekend bij orgaandonatie niet aan de orde. De donor is overleden en persoonlijk contact tussen nabestaanden en de getransplanteerde is niet mogelijk.
‘Ik hoef mijzelf geen verwijten te maken’, zei de man toen zijn vrouw was overleden, ‘want we hebben alles gedaan wat we konden.’ Hij doelt hiermee op de levertransplantatie die ze had ondergaan. Daarna had ze een maand in coma gelegen op de intensive care en nu was ze dan overleden. Voor haar was wel een orgaan beschikbaar, maar ze overleefde de transplantatie niet. De echtgenoot zegt dat hij zichzelf niets hoeft te verwijten. Blijkbaar heeft hij de keuze voor een transplantatie ervaren als een plicht. Er moest alles gedaan worden. De vraag is natuurlijk of alles wat medisch kan, ook daadwerkelijk moet gebeuren. Kan iemand met een zeer ernstige ziekte besluiten af te zien van een verstrekkende medische behandeling als een transplantatie om zich voor te bereiden op het sterven?
Iemand die de transplantatie wel overleeft, komt voor de taak te staan afscheid te nemen van zijn eigen, zieke orgaan en tegelijk te accepteren dat een orgaan van een ander met hem verder leeft, hem doet verder leven. Zo leeft hij verder met het besef dat hij zonder de transplantatie gestorven zou zijn.
Nu geldt dat voor veel andere medische behandelingen ook, maar het bijzondere bij een transplantatie is dat er een orgaan van een ander mens voor nodig. Een ander mens die gestorven is. ‘Elke dag is een geleende dag’, is in dit verband een bekende uitspraak. De veelgebruikte vergelijking met de auto, waarvan een kapot onderdeel vervangen wordt, gaat voor veel mensen die een getransplanteerd orgaan dragen niet op. Zij zien zichzelf niet als een machine, en ook de donor zien zij zo niet. Vaak ontwikkelen mensen een beeld van de donor, dat zij in hun eigen leven proberen te integreren. Tot zover gaat het over het psychisch accepteren van het donororgaan.
Ook fysiek blijkt het moeilijk een nieuwe orgaan te accepteren. Het lichaam is van nature geneigd het vreemde orgaan af te stoten. Daarom zal de getransplanteerde patiënt zijn hele verdere leven medicijnen moeten slikken, die de afstotingsreactie van het lichaam onderdrukken. Deze medicijnen hebben nogal wat akelige bijwerkingen. Vanwege deze bijwerkingen, de afstoting en andere medische problemen komt het vaak voor dat de mensen opnieuw moeten worden getransplanteerd: 20 procent van alle transplantaties zijn re-transplantaties.

‘Tekort’

Het is alom bekend dat er een tekort is aan donororganen. Een criticus (R. Fox, in Medisch Contact 1995) merkt echter op: ‘Het zogenaamde tekort aan organen wordt veroorzaakt door een veel te positieve beeldvorming van het succes van de transplantatiegeneeskunde.’
Inderdaad, de resultaten van de transplantatiegeneeskunde worden nogal rooskleurig voorgesteld. Zo werd in 1998 aan iedere Nederlander, in het kader van de wet op de donorregistratie, de vraag voorgelegd of hij/zij bereid was na de dood de organen beschikbaar te stellen voor transplantatie. De voorlichting, die deze campagne begeleidde, was ronduit wervend en positief. Toch bleken veel minder Nederlanders dan verwacht, bereid te zijn hun organen beschikbaar te stellen. Naar mijn waarneming komt dit voort uit een vaag gevoel van onbehagen. Uit onderzoek (E. Kompanje: Geven en Nemen, 1999) is gebleken dat hoe meer ervaring en kennis mensen opdoen met donorprocedures, hoe minder zij bereid zijn zichzelf als potentiële donor te beschouwen. Zo is het mij persoonlijk ook vergaan.
Inmiddels worden er nieuwe wegen ingeslagen om het tekort aan donororganen op te lossen: het uitnemen van organen (nieren, deel van de longen, deel van de lever) van levende mensen. In het Academisch Ziekenhuis Groningen wordt vanaf september aan ouders, wier kind aan een leverziekte lijdt, gevraagd of zij een deel van hun lever beschikbaar willen stellen voor hun kind. Ethisch gezien komen we hier voor geheel nieuwe vragen te staan.
Mijn vraag is: wanneer en waar komt een kritische discussie op gang over de transplantatiegeneeskunde? Is het zinvol door te gaan met een dergelijke hoogspecialistische vorm van geneeskunde, die de hele bevolking aanspreekt als potentiële donor, een vorm van geneeskunde bovendien met bedenkelijke resultaten en zeer hoge kosten? En is dit alles te verantwoorden in een maatschappelijke situatie waar mensen voor relatief eenvoudige operaties maandenlang op een wachtlijst gezet worden?
Anne Marie Bodewes is predikant in de Gereformeerde Kerk van Opende. Ze reageert met dit verhaal op het hoofdartikel van 2 augustus

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 1


Reacties:

En toch zijn er mensen die profiteren van een transplantatieorgaan. Mensen die door de transplantatie een kans krijgen op een "nieuw leven" Een leven dat heel waardevol is. Iemand uit mijn naaste familie heeft sinds 23 jaar een transplantatienier en ondanks de nare bijwerkingen van de medicijnen leeft ze. En niet alleen ik ben ontzettend dankbaar dat ze leeft maar ook haar gezin. Ik stel mijn organen na mijn dood beschikbaar voor transplantatie omdat ik ervaren heb dat mensen hiermee een nieuwe kans krijgen op "leven"

B. Meindertsma, Eschenbach - maandag, 18 augustus 2003


analyse
Familieberichten
Advertenties