Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
maandag 25 juni

Regiovrijdag, 2 maart 2007

Arjen Kok uit Mantgum legde de veldnamen van Terschelling vast
Ruzie in het bos? Ribbetikkerspad
ARJEN BAKKER
Terschelling - De meest omstreden plek? Doodemanskisten. Arjen Kok noteerde maar liefst zeven mogelijke verklaringen voor de naam van het duinmeertje vlak buiten West-Terschelling. Sommigen grijpen terug op een oude sage van een goede fee die die lichamen van verdronken zeelieden kistte. Anderen komen juist met een heel rationeel verhaal: het meer zou aanvankelijk het uiteinde van een haven geweest zijn en daardoor een aantrekkelijke plek voor een begraafplaats. En dan zijn er ook nog mensen die beweren dat het water eigenlijk vernoemd is naar een zekere ingenieur Dooreman. ,,Ik voel me niet gerechtigd om een knoop door te hakken”, zegt Kok: ,,Misschien ligt de waarheid nog wel heel ergens anders.”
Gelukkig staan er in Aastermiede & Wachthuusplak, Koks nieuwe boek met als ondertitel ‘veldnamen op Terschelling in duin en polder’ niet veel van dit soort raadsels. Sterker nog: de 44-jarige hydroloog uit Mantgum spendeerde bijna twaalf jaar aan vrije tijd om zoveel mogelijk namen van duinen, veldjes, bosjes, kooien en weilanden te verzamelen en te verklaren.
Het resultaat wordt vandaag gepresenteerd - op Terschelling - als centimeters dik boek, in een oplage van 1500 exemplaren, voor 59,50 euro per stuk. Is dat niet wat optimistisch voor zo’n specialistisch boek? ,,Er zijn in Nederland heel wat veldnamenboeken in omloop en dat zijn vaak gortdroge opsommingen van namen, met een plattegrond erbij”, zegt Kok. ,,Ik hoop vooral een móói boek te hebben gemaakt: met veel beeldmateriaal en achtergrondinformatie, een prettig lees- en bladerboek.”
Of dat gelukt is, mogen de burgemeester, de eamelsmannen (gekozen voorlieden van de dorpen om Oost) en de boswachters van Terschelling als eerste beoordelen. Feit is dat zo’n driehonderd belangstellenden al een exemplaar besteld hebben. ,,De meeste Terschellingers en oud-Terschellingers die ik tijdens mijn studie gesproken heb, en dat zijn er heel wat, vinden het machtig interessant. Veel eilanders zijn behoorlijk trots en willen alles weten over de geschiedenis. Kijk maar naar het aantal leden van de cultuur-historische vereniging (ruim 1500, AB) en de hoeveelheid boeken die over het eiland geschreven is. In die traditie past dit boek ook, hoop ik.”
Basis voor Kok’s onderzoek vormde een oude kadastrale kaart van vlak voor de Terschellinger ruilverkaveling, opgemaakt vlak voor de Tweede Wereldoorlog. ,,Die kwam ik tegen in een oude bunker op de luchtmachtbasis Soesterberg, tijdens de archiefstudie voor mijn eerste boek, over Terschellinger boerderijen.” Op die kaart stonden voor het grootste deel van de Terschellinger polder alle percelen ingetekend, inclusief de namen die daar in de volksmond voor gebruikt werden. ,,Later kwam ik in contact met Staatsbosbeheer, dat ter gelegenheid van een jubileum een soortgelijke inventarisatie voor de duinkant van het eiland had gemaakt.”
De belangrijkste vondst deed de auteur echter bij de Topografische Dienst: zeer gedetailleerde luchtfoto’s van het hele eiland, genomen door de Duitse bezetter op 3 augustus 1944. Deze sieren nu het grootste deel van de rechterpagina’s in het boek, met de veldnamen - voor zover bekend - erop ingevuld.
Op de linkerpagina’s staat een getekende kaart van de huidige situatie op dezelfde plek, na de ruilverkaveling. Op die manier kan de lezer vergelijken welke veldnamen zijn verdwenen en welke nog voortleven. ,,Het is voor de vormgever een enorm gepuzzel met computers geweest om de foto’s naadloos aan elkaar te plakken en de schaduwen weg te werken. Maar het resultaat is ernaar. In sommige weilanden kun je het aantal koeien tellen.”
Het invullen van al die namen was een monnikenwerk. Een deel kon Kok zo overschrijven van de eerder genoemde kaarten van de Landinrichtingsdienst en Staatsbosbeheer, maar voor de rest moest hij te rade bij eilanders. ,,Dat begint dan bij de grootste boer, maar je weet hoe dat gaat: hij zegt dat zijn buurman ook een hoop weet, die stuurt je weer door naar de volgende buur en voor je het weet heb je het halve eiland gesproken.”
Niet dat Kok dat erg vond, hoor. ,,Prachtige verhalen gehoord. Ik heb alleen wel geleerd dat ik de mensen vooral over hun directe omgeving moest laten vertellen. Iemand uit Oosterend kon de namen rond zijn eigen dorp wel aardig invullen. Maar hoe verder richting West, hoe meer hij er een slag naar begon te slaan.” Gelukkig waren de meeste Aasters wel zo eerlijk om toe te geven dat ze zover ‘om de West’ niet alle landjes bij naam konden noemen. ,,En andersom ook. Maar je houdt altijd trotse eilanders die beweren álles te weten. Nou ja, die moeten het boek er dan nog maar eens op na slaan.”
Daarin lezen ze dan dat vooral de namen van percelen in de polder veel zeggen over de (oorspronkelijke) hoogteligging en vochtigheid. De ‘mieden’ zijn de percelen vlak tegen het dorp aan, die ook voor de aanleg van de waddendijk (rond 1500) al beschermd werden tegen het water, door middel van een plaggendijk. Ze worden meestal met een eenvoudig ‘noorder’, ‘wester’ of ‘zuider’ van elkaar onderscheiden, soms ook met de naam van een oude eigenaar. Wat buiten de mieden ligt, wordt meestal ‘finne’ genoemd, hooiland.

Eerder dan Ameland

,,Op die manier heb ik redelijk in kaart kunnen brengen waar die afscheiding rond de dorpen lag. En je kunt er uit afleiden dat Terschelling eerder een dijk had dan Ameland. Daar hebben ze pas rond 1900 een dijk gekregen: dat is te kort geleden om het woord ‘grië’ te doen uitsterven, een naam die op Terschelling alleen nog geldt voor de kwelder achter de dwarsdijk bij Oosterend.”
De namen aan de duinkant van het eiland zeggen veel minder over de ontstaansgeschiedenis van het betreffende perceel. Ze zijn vaak pas in de twintigste eeuw bedacht, ten tijde van de bosaanplant en de eerste jaren van de cranberrypluk. ,,Hier spelen bijzondere kenmerken van het plekje een rol, of soms ook bijzondere voorvallen op die plaats. Er is een Ribbetikkerspad: die naam is ontstaan omdat daar twee bosarbeiders met elkaar op de vuist waren gegaan.”
Ondanks het langdurige onderzoek zijn op de kaarten in het boek ook nog percelen naamloos gebleven. Het kan zijn dat die stukjes grond écht geen naam hebben, zegt Kok. ,,Maar wellicht is men het ook gewoon vergeten.” Hoe het ook zij: Kok en de Stichting Zeeschuim - die het boek samen met Koninklijke Van Gorcum uitgaf - willen na het uitkomen van het boek de belangstelling voor de Terschellinger veldnamen levendig houden.
Er komt een website (www.veldnamenterschelling.nl) waarop iedereen commentaar kan leveren op de bestaande veldnamen en suggesties kan aandragen voor nog naamloze stukjes eiland. ,,Die site wordt gekoppeld aan Google Maps, zodat de bezoekers precies kunnen aangeven welk perceel ze bedoelen.” Misschien dat er aan de hand van die informatie, over een aantal jaren nog eens een aanvulling kan komen op het boek, hoewel Kok een vervolg alleen op internet ook wel aanstaat. ,,Hoewel er niet meer zoveel verandert als bij de ruilverkaveling, blijven er continu namen bijkomen en verdwijnen. Dit boek is en blijft een momentopname. Maar het is mooi dat we via moderne media kunnen blijven aanvullen en discussiëren.”
.

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties