Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
donderdag 21 juni

Regiozaterdag, 3 mei 2008

Rudolf Brauer was tegen wil en dank dienstplichtig bij de Wehrmacht
‘Mijn bevrijding kwam pas jaren later, rond 1950’
WYBE FRAANJE
,,Eigenlijk heb ik dit verhaal nog nooit zo uitgebreid verteld. Af en toe een losse herinnering, meer niet. Voor dit gesprek heb ik zo veel mogelijk herinneringen opgeschreven, zodat ik niks zou vergeten. Afgelopen weekend waren mijn dochters hier en zagen ze die aantekeningen liggen. Ze wilden ze meteen kopiëren, omdat ze heel veel dingen nog nooit gehoord hadden.”
,,Ik heb er nooit veel over gepraat. Niet omdat ik er getraumatiseerd door ben of omdat ik bang was dat ik met de nek zou worden aangekeken, maar zo zit ik gewoon niet in elkaar. Ik ben trouwens nooit met de nek aangekeken omdat ik in het Duitse leger heb gediend in 1944-’45. Er is altijd heel normaal op gereageerd. In de oorlog had ik, net als zo vele Nederlanders, een hekel aan Duitsers. Maar na de oorlog heb ik in mijn omgeving nooit last gehad van dat soort sentimenten.”
,,Mijn vader vertrok na de Eerste Wereldoorlog vanuit Duitsland naar Nederland. Hij woonde zes kilometer over de grens, dus dat was nog niet eens zo raar. Hij was kleermaker van beroep, en in Duitsland was geen werk voor hem. Hij kwam in Sneek terecht, waar hij enige tijd later een eigen kleermakerij opende. Hij stond goed bekend in Sneek. Mijn vader trouwde met een Nederlandse vrouw; op 3 juni 1926 werd ik als oudste van vijf kinderen geboren.”
,,Later verhuisde ons gezin naar Leeuwarden. We woonden in een straat in de buurt van het Vliet - de naam ben ik vergeten en die straat bestaat niet meer. Mijn vader werd kleermaker in een herenkledingzaak. Na de lagere school ging ik naar de mulo, en later naar de mts. We waren een gewoon, gelukkig gezin, met de gebruikelijke sociale contacten in de omgeving. Mijn vader heeft zich nooit tot Nederlander laten naturaliseren. Daar dácht je na de Eerste Wereldoorlog gewoon niet aan. Bovendien kostte dat driehonderd gulden, een gigantisch bedrag voor een kleermaker met een opgroeiend gezin.”
,,Toen brak de oorlog uit. Op de mts maakten we een paar keer een inval mee. Dan omsingelden die zwarte pakken de school om te zoeken naar onderduikers. Die zaten er natuurlijk wel, maar als ze onze klas binnenkwamen vroegen ze aan mij - ik zat vlakbij de deur - hoe het hier was. Dan zei ik in mijn beste Duits: ‘Hier ist alles in Ordnung’, en dan vertrokken ze weer.”
,,Doordat mijn vader nog altijd Duits staatsburger was, was ik dat in feite ook. Toen ik begin juni 1944 achttien jaar werd, kreeg ik een oproep voor militaire dienst in Duitsland. Daar had ik natuurlijk geen zin in: de Duitsers stonden in de oorlog aan de verkeerde kant. Ik wilde bij de Britse Royal Air Force. Ik overwoog serieus om onder te duiken, en zocht een geschikt adres. Maar van alle kanten werd me dit afgeraden. Ik zou worden gezien als een dienstweigeraar, met als gevolg dat de Duitsers net zo lang zouden zoeken tot ze me gevonden hadden. Dan zou ik ter plaatse de kogel krijgen. Men raadde mij aan in dienst te gaan en zodra er een mogelijkheid was over te lopen naar de Amerikanen.”

Zelfde schuitje

,,Ik kwam na mijn medische keuring terecht in een Duits opleidingscentrum in Turnhout. Ik zat in een peloton met twintig leeftijdgenoten die allemaal in hetzelfde schuitje zaten. Ik merkte wel dat ze er allemaal hetzelfde over dachten als ik. Maar erover praten kon niet, want de Duitse commandanten konden Nederlands verstaan. Als ze erachter kwamen hoe je erover dacht, werd je ingedeeld bij de bommenopruimingsdienst. En dat moest je tegen iedere prijs voorkomen, want dan had je 90 procent kans dat je het niet zou overleven.”
,,In hetzelfde opleidingskamp zaten ook grote groepen echte Duitsers, en nog twintig jongens uit Elzas-Lotharingen. Die laatsten dachten er hetzelfde over als wij; ik hoorde ze erover praten. Zij konden er onderling wel over spreken, omdat de Duitsers geen Frans verstonden. Ik kon dat wel redelijk verstaan, want ik had Frans, Duits en Engels gehad op de mts.”
,,We waren nog maar net in Turnhout of de invasie van de geallieerden in Normandië diende zich aan: 6 juni 1944. We moesten allemaal aantreden. We kregen wapens en moesten paraat staan voor het transport naar Normandië. Na lang wachten kwam er bericht dat er een kleine groep overgeplaatst zou worden naar Polen. Dat waren de Nederlandse jongens en die uit Elzas-Lotharingen. Ze vertrouwden het ons niet toe in Normandië te vechten, vermoed ik.”
,,In Polen werden we gestationeerd in Posen, dat na de oorlog Poznan is gaan heten. We werden ingezet om militaire objecten te bewaken, bijvoorbeeld benzinestations en opslagterreinen. Ook moesten we loopgraven maken. Voor één van die loopgraven moesten we dwars door een kerkhof graven. Dat was verschrikkelijk, kan ik je zeggen. Sommigen werden er letterlijk stapelgek van. Weigering werd bestraft met overplaatsing naar de bommenopruimingsdienst, dus we moesten wel. Hierdoor heb ik besloten dat ik nooit, maar dan ook nóóit begraven wil worden. Ik zal gecremeerd worden.”
,,Op een avond moesten we aantreden: op het station was een trein met gewonde soldaten aangekomen, die moesten naar het Lazaret, het ziekenhuis, vervoerd worden. Wat ik daar gezien heb, is vreselijk. Ze waren een week onderweg geweest van het slagveld naar het Lazaret. De ene miste een been, een ander twee, weer anderen misten een arm of twee handen, of het hele achterwerk. In de trein hing een sterke lijklucht.”

Geluk gehad

,,Toen de Sovjets dichterbij kwamen werd onze groep, de Nederlanders en de Elzassers, overgeplaatst naar Duitsland. Naar Gardelegen. Hier was een legerplaats waar resten van gedecimeerde legereenheden bijeengebracht werden om nieuwe eenheden te vormen, de uitrusting aan te vullen en nieuwe wapens te krijgen.”
,,In Gardelegen heb ik een aantal keren echt geluk gehad dat ik in leven bleef. Eén voorbeeld. Tijdens een luchtalarm verscholen wij ons in het bos. Het was mooi, zonnig weer. We hadden wel trek in thee, en ik hielp wel eens in de keuken, dus ik kende de weg daar wel. Ik dus naar de keuken om een grote aluminium kan thee te halen. Ik moest over een groot, open veld lopen. Plotseling kwam er, haaks op mijn route, een Engels vliegtuig aangevlogen. Ik zette de kan neer en rende als een haas naar de rand van het bos. Ik dook in een greppel, en daar lag ik nét toen het vliegtuig terugkeerde en met precisie die kan thee helemaal stuk schoot. Dat vliegtuig moest dus eerst even keren om mij onder vuur te kunnen nemen. Als het tien meter meer naar links had gevlogen, had de piloot direct kunnen schieten toen ik daar nog met die kan liep.”
,,Ik heb ze ook een keer een loer gedraaid, waarbij ik ook veel geluk heb gehad. In december 1944 moest onze eenheid naar de Ardennen voor het Ardennenoffensief tegen de Amerikanen. Iedereen moest op medische keuring. Ik wist dat als ik heel snel ging ademen, mijn hart op hol sloeg. In de wachtkamer van de keuringsarts heb ik dus de hele tijd stiekem heel snel zitten ademen. Die arts onderzocht me, en vroeg of ik koorts had. ‘Niet dat ik weet’, zei ik. De arts wist zich er geen raad mee, en keurde me af.”
,,De trein naar de Ardennen zat stampvol soldaten. Twee keerden er terug. Ik vroeg waar de anderen gebleven waren. ‘Gesneuveld’, luidde het antwoord. ‘Wij zijn de enige twee overlevenden.’ Op een gegeven moment, het liep tegen het eind van de oorlog, kwamen de Amerikanen in de legerplaats in Gardelegen. De officieren en oudere militairen werden krijgsgevangen gemaakt. De jongeren kregen de opdracht: ‘Ga maar naar je moeder.’”
,,Voordat ik uit Leeuwarden vertrok naar het leger, had ik met mijn ouders afgesproken dat als de post niet meer zou overkomen, ik voortaan mijn brieven naar mijn grootouders in Leer zou sturen. Dat is bij Winschoten vlak over de grens in Duitsland. Op een gegeven moment kreeg ik geen post meer, dus schreef ik een brief naar mijn grootouders. Van hen kreeg ik het bericht dat ons hele gezin, behalve mijn vader, voor de Arbeitseinsatz op een boerderij in Osterloh, bij Celle in de buurt van Hannover, was ondergebracht. Mijn vader moest in Leeuwarden blijven.”

Burgerkloffie

,,Ik ging dus naar mijn moeder in Osterloh. Toen ik in dienst ging, had ik uit voorzorg een burgerklofje meegenomen. Een maat van mij - dat was wel een echte Duitser - moest dezelfde kant op, naar Braunschweig. Hij was ook in burger, en we begonnen te lopen. De Amerikanen hadden ons gewaarschuwd dat we niet van de grote wegen gebruik moesten maken, omdat daar de oorlog nog altijd aan de gang was. Wij liepen dus door bossen en over landerijen richting het westen: overdag de zon aan de linkerkant houden, en ’s nachts de Poolster aan de rechterkant. Onderweg klopten we bij boerderijen aan voor eten en drinken. Op een gegeven moment kwamen we langs de Volkswagenfabriek in Wolfsburg. Daar werden we door een paar Polen aangehouden. ‘Waar moet dat heen?’, vroegen ze. ‘Wij moeten naar Holland’, zei ik. ‘Ja, dat zeggen ze allemaal.’ Nu had ik voor de zekerheid een Nederlands schoolrapport van de mts bij me gestoken, voor als het nodig was te bewijzen dat ik Nederlander was. Dat liet ik zien, waarna we mochten doorlopen.”
,,Na een kilometer of tien klopten we bij een boerderij aan, waar we vertelden dat we vanuit Gardelegen via de VW-fabriek waren gekomen. ‘Hoe zijn jullie langs die fabriek gekomen?’, vroeg de boer. ‘De Polen die daar rondhangen snijden iedereen de keel door. De lijken dumpen ze in een sloot.’ Ik vertelde het verhaal van mijn mts-rapport, en die boer verzekerde ons dat we heel veel geluk hadden gehad.”

Herenigd

,,Na een lange voettocht vond ik mijn moeder en mijn broertjes en zusjes in Osterloh. We waren allemaal erg blij natuurlijk. Toen heb ik eerst een jaar bij die boer gewerkt. Daarna heb ik nog twee jaar voor het Engelse leger gewerkt: in een kampement van de RAF waar de munitie van het Duitse leger werd vernietigd.”
,,Met mijn mts-diploma kon ik zo aan de slag als machinebankwerker. Maar na een aantal jaren, nadat we onder andere gehoord waren voor de rechtbank in Bremen, kregen we toestemming van de Nederlandse regering om terug te keren. Zo werd ons gezin weer herenigd. Wanneer dat precies was, weet ik niet meer, maar het moet rond 1950 geweest zijn.”
,,Ik ging bij de condensfabriek werken, wat ik 45 jaar heb gedaan. In mijn vrije tijd repareerde ik eens een naaimachine in het atelier waar mijn vader nog altijd kleermaker was. Daar werkte een meisje, Renny, met wie ik verkering kreeg. ‘Ik ben wel Duitser hoor’, zei ik nog, maar zij zei: ‘Dat interesseert me niks.’”
,,Toch heb ik me laten naturaliseren. Eigenlijk moest je daarvoor de laatste vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben doorgebracht, maar na bemiddeling - iemand schreef een brief naar Prins Bernhard - kon ik me laten naturaliseren. Ik wilde nooit meer voor dat soort ellendige verrassingen komen te staan als in de oorlog.”
,,Renny en ik trouwden en kregen vijf kinderen, één van hen is verongelukt. Inmiddels zijn er drie kleinkinderen. Renny is vorig jaar overleden, waarna ik ons woonboerderijtje in Houtigehage heb verruild voor dit appartement boven de Jumbo in Drachten.”
,,Dodenherdenking vind ik uitermate belangrijk. Met Bevrijdingsdag heb ik niet zo veel. Misschien omdat ik het niet zelf heb meegemaakt. Mijn bevrijding kwam pas jaren later, toen ik terugkeerde in Fryslân.”
Drachten - Rudolf Pieter Brauer (81) uit Drachten werd in 1944 als dienstplichtige opgeroepen voor de Duitse Wehrmacht. Hij was dan wel in Fryslân geboren, maar zijn vader had een Duits paspoort. Hoewel hij de nazi-ideologie verafschuwde, kon hij er niet onderuit komen. Pas toen hij rond 1950 terugkeerde in Fryslân, was zijn oorlog echt voorbij.
Rudolf Brauer: ,,Men raadde mij aan in dienst te gaan en zodra er een mogelijkheid was over te lopen naar de Amerikanen.” Foto: Marchje Andringa

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties