Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
dinsdag 19 juni

Hoofdartikelzaterdag, 14 april 2012

Psychiatrie, geloven en de mondigheid
Sommige mensen menen dat wie gelooft, niet volwassen is. Of, erger, wie gelooft, vertoont een afwijking van psychisch gezond gedrag. Dergelijke gedachten zijn in diverse vormen en gradaties tientallen jaren dominant geweest in de geestelijke gezondheidszorg. Onlangs verscheen een handboek waarin duidelijk wordt gemaakt dat psychiatrie niet zo’n wantrouwige relatie moet hebben met geloven en religie. Geloven kan bescherming bieden en een ondersteunende functie hebben, en kan zelfs helpen genezen.
Het is mooi dat de laatste opvattingen door middel van publicaties kunnen doordringen in de geestelijke gezondheidszorg en in de samenleving. Erkenning van die opvattingen kan veel leed en schade voorkomen.
Achter het tegenover elkaar stellen van zoiets als psychische gezondheid en geloven liggen vooronderstellingen. Bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag wat psychisch gezond is. En wat geloven is en wat de werkzaamheid daarvan kan zijn voor iemands psychisch welbevinden. In het verlengde hiervan liggen vragen als wat psychiatrie is, wat haar onderzoeksterrein, haar methoden en ‘instrumenten’ zijn.
Daar nog achter ligt uiteindelijk de vraag ‘wat en wie is de mens’; de vraag naar het mensbeeld. Dr. Dick Swaab - die van het boek Wij zijn ons brein - ziet de mens als een chemische fabriek. Hij heeft een heel ander antwoord op de mens-vraag dan iemand die ervan overtuigd is dat de mens door God is geschapen naar zijn beeld en gelijkenis en dat de mens na diens sterven een toekomst wacht.
Beide opvattingen kunnen niet worden verzoend; ze hebben hun eigen woordenboek en logica en gaan uiteindelijk over verschillende mensen.
Dat alles klinkt erg ingewikkeld, waarom zouden ‘gewone mensen’ erover moeten lezen? Dat moet, omdat de standpunten doorwerken in de concrete praktijk van de (geestelijke) gezondheidszorg en vrijwel ieder mens met die zorg te maken krijgt. Vaak bijna in de vorm van overgave en altijd in een afhankelijkheidsrelatie.
De reden om erover te lezen is dus eigenlijk simpel; het gaat om de vraag hoe mijn psycholoog of psychiater - maar ook: mijn huisarts of specialist - denkt over de mens. Het antwoord op die vraag is mede bepalend voor de behandeling die op mij wordt toegepast.
Hier ligt een veld van vragen, belangen en praktijken die onvoldoende aan bod komen in de relatie tussen de behandelaar en de patiënt. In een tijd waarin mensen zich uiterst mondig voelen en over alles een eigen mening hebben en daarin gerespecteerd willen worden, is dat niet goed te begrijpen. Hoe zou die mondige mens niet willen weten hoe zijn psycholoog aankijkt tegen hem als (gelovig) mens?
Het antwoord op de vraag naar de mens is onderhuids mede bepalend voor de omgang met de mens; in vragen over ziekte, afwijkingen, voor behandelingen daarvan en voor gezondheid. Soms tot in vragen van leven en dood.
Daarom moet er meer over worden gesproken. Dan komt er meer duidelijkheid en kunnen ‘gewone mensen’ het er over hebben met hun psycholoog of arts. Kerken hebben commissies die zich met ethische kwesties bezighouden; voor deze ligt ook op dit punt een belangrijke taak.

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties