Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
donderdag 21 juni

Regiozaterdag, 14 april 2012

Bleekneusje had het goed in Jelsum
Anja Mast
Leeuwarden | De geur van koeienmest doet Geesje Hindriks-Wouters (77) nog altijd aan de oorlog denken én aan het Friese platteland waar ze als negenjarig ‘bleekneusje’ werd opgevangen.
Eind 1944 ontvlucht ze samen met oudere zus Mien de honger en ellende in Amsterdam. Terwijl het zuiden al deels bevrijd is, moet de rest van het land nog wachten. In de winter die volgt ontstaat aan alles een gebrek. Vooral in de grote steden in het westen van het land zijn de gevolgen daarvan merkbaar. 20.000 mensen komen om van de honger.
Hindriks’ moeder wil in die hongerwinter aanvankelijk met het gezin naar Fryslân trekken, waar nog wel eten is. Ze heeft negen monden te voeden en staat er alleen voor sinds haar man de benen heeft genomen. Oudste dochter Mien raadt het haar moeder af. Ze is bang dat de jongste van het gezin, die dan nog maar een peuter is, de reis niet zal overleven. Uiteindelijk gaan Mien en Geesje samen naar Fryslân.
Tien dagen doen ze over het eerste stuk van ongeveer tachtig kilometer - te voet - naar de kop van de Afsluitdijk. ,,Een barre tocht die je je hele leven niet vergeet”, blikt de Amsterdamse terug. ,,We hadden niets bij ons.” Onderweg gaat een van haar sandalen stuk, waardoor ze op één blote voet verder moet lopen. Nu en dan wordt er een stop gemaakt bij een boerderij waar de twee even mogen opwarmen, en iets te eten of een slaapplek krijgen.
Bij Den Oever worden ze staande gehouden door Duitse soldaten. Als Mien dan de naam van een oom noemt - die tevens zoon was van een politiefunctionaris - mogen ze tóch verder en krijgen ze een lift naar Leeuwarden.
Via de kerk komt Mien bij een gezin in Koarnjum en Geesje bij de familie Fierstra in Jelsum. Ze heeft het er goed. Er is voldoende eten te krijgen bij boeren in de omgeving. Ze gaat naar school en leert snel Fries. Bovendien heeft het gezin een dochter van dezelfde leeftijd.
In de tijd dat ze met haar zus in Fryslân zit, weet ze helemaal niets van hoe het thuis in Amsterdam gaat. Post komt niet door. Bij het zien van de berg aardappelen in de kelder denkt ze geregeld: ‘Konden we er maar een paar opsturen.’
Met het pleeggezin klikt het goed. Zo goed zelfs, dat ze na de oorlog altijd contact heeft gehouden. ,,Zij hebben mij gered van de hongersnood. En ik heb er de mooiste tijd van mijn jeugd gehad”, blikt Hindriks terug. In Fryslân maakt ze ook de bevrijding mee en ze viert feest in Leeuwarden.
Het duurt daarna nog een jaar voor ze terug kan naar Amsterdam, met de Lemmerboot. Hindriks: ,,Eerder was er geen mogelijkheid én geen geld.” Zus Mien blijft achter in Koarnjum, ze trouwt met de zoon van de familie bij wie ze in de oorlog verbleef. Op de Lemmerboot is er alvast het weerzien met een broer, die eerder al naar Fryslân was vertrokken.
De thuiskomst is anders dan verwacht: ,,Mijn moeder herkende me amper nog. Ze vroeg wie ik was en wat ik kwam doen. Ik zei: ‘Ik ben Geesje, uw dochter’.”
* Het Friesch Dagblad brengt in de aanloop naar 4 en 5 mei een artikelenreeks over mensen die de Tweede Wereldoorlog als kind hebben meegemaakt. Deze serie is tot stand gekomen in samenwerking met het Verzetsmuseum Friesland

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties