Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
dinsdag 19 juni

Hoofdartikeldinsdag, 22 mei 2018

Kennis van goede zorg kan angst doen slinken
Afgelopen week verscheen een nieuwe versie van de Euthanasiecode. Dat geschrift geeft aan hoe de zorgvuldigheidseisen in de euthanasiewet worden getoetst. Voor artsen is het een belangrijk document, omdat het kan helpen hun rechtszekerheid te vergroten.
Bij discussies over handelen in de laatste levensfase moet altijd in ogenschouw worden genomen hoe ingewikkeld deze periode ook voor dokters is. Artsenorganisatie KNMG benadrukt terecht keer op keer dat euthanasie geen recht is van een patiënt, en al helemaal geen plicht voor een arts.
Vorig jaar zijn 6585 gevallen van euthanasie gemeld, 8 procent meer dan in 2016. Dat is voor al die duizenden artsen geen lichtvaardige beslissing geweest maar een vaak lang traject - na afloop waarvan ze bovendien vele weken moeten wachten op een oordeel over de vraag of hun handelen zorgvuldig was. Doorgaans luidt het antwoord ‘ja’, maar vorig jaar toch ook twaalf keer ‘nee’, en er lopen momenteel vijf strafrechtelijke onderzoeken van het Openbaar Ministerie die kunnen leiden tot vervolging. Dat is natuurlijk noodzakelijk voor een zorgvuldige en behoedzame praktijk - maar opnieuw een extra belasting voor de beroepsgroep.
De in 2002 ingevoerde euthanasiewet is geen vrijbrief gebleken voor levensbeëindiging maar heeft veeleer het handelen rond het levenseinde verplaatst van een schaduwcircuit naar de publieke ruimte. Het gesprek hierover duurt gelukkig voort tot op de dag van vandaag; de nieuwe Euthanasiecode is er een voorbeeld van. Grote wijzigingen bevat die aangescherpte code niet; er is vooral nagedacht over wanneer een ‘stapeling van aandoeningen’ leidt tot ‘ondraaglijk en uitzichtloos’ lijden - de twee belangrijkste criteria voor euthanasie.
Het in openheid discussiëren over deze materie is wat de commissie van Paul Schnabel in 2016 bedoelde bij haar conclusie dat de euthanasiewet voldoende begrenzing én ruimte biedt voor vragen rond het levenseinde. Zo lang er voortdurend en transparant wordt onderzocht, gepraat, aangescherpt en verruimd, gaat het goed en is een nieuwe ‘wet voltooid leven’onnodig en onwenselijk. Zo’n wet belicht eenzijdig de wensen van de vrager. Daarmee zou een cultuur kunnen groeien waarin kwetsbaarheid en afhankelijkheid als maatschappelijk onwenselijk worden beschouwd. Ouderen zouden zich dan eerder afvragen of zij nog wel van waarde zijn als hun leven geen ‘nut’ meer heeft of intensieve zorg vereist.
Minister Hugo de Jonge trekt, en dat is wijs, de discussie bij herhaling naar de breedte: we moeten het niet alleen maar hebben over levensbeëindigend handelen. We moeten het juist ook hebben over de alternatieven die er zijn, en die alternatieven uitbouwen en verbeteren: palliatieve zorg, aandacht en liefde. Acht miljoen per jaar trekt het kabinet daar extra voor uit. Een groot deel daarvan is extra budget voor hospices, maar een aanzienlijk bedrag gaat naar een voorlichtingscampagne die binnenkort begint. Want daar valt nog veel winst te halen. Zo lang een groot deel van de bevolking denkt dat palliatieve zorg alleen maar medische bijstand is en alleen in de laatste paar dagen van iemands leven, en meer niet, blijft de angst voor een nare laatste levensfase onnodig groot. RK

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties