Dit artikel is vandaag gratis

Estha Gobes werd Betty Wielinga, de 13e van het gezin

Estha Gobes, die als Betty Wielinga in Sneek de oorlog overleefde. Foto: collectie Estha Tsaig-Gobes

De zoektocht naar de 210 Joodse kinderen die in de oorlog vanuit de Amsterdamse crèche naar Fryslân werden gesmokkeld, leverde in korte tijd tientallen reacties op. Ook van kinderen van toen die op een andere manier naar Fryslân kwamen voor onderduik. Estha Gobes is een van hen.

,,Mijn ouders hadden al vroeg in de gaten dat het mis zou gaan. In 1942 zijn ze ondergedoken. Mij hebben ze bij mijn grootouders gebracht. Het idee was dat oude mensen en kleine kinderen niet interessant waren voor de Duitsers”, vertelt Estha Gobes (17 juni 1939, Amsterdam) vanuit haar woonplaats in Israël.

Maar op 10 juni 1943 stonden er twee Duitse militairen op de stoep die Estha kwamen halen. Estha: ,,Achteraf heb ik gehoord dat het mensen uit het verzet waren in Duitse uniformen. Wat er daarna is gebeurd, weet ik niet meer maar in september dat jaar ben ik bij de familie Wierdsma in Sneek gekomen. Dat was een schippersfamilie die zelf twaalf kinderen had. Nog een erbij viel niet op.”

Over de schutting

,,Ik heette Betty Wielinga, Betty naar de vrouw van mijn oom. En ik denk dat ik eerst bij een familie Wielinga heb gezeten voordat ik bij de Wierdsma’s ben gekomen.”

De Wierdsma’s wilden weten hoe oud de nieuwkomer was, maar Betty had geen idee. Ze werd in de rij met kinderen gezet, en er werd net zo lang gewisseld totdat ze min of meer in de rij paste. Ze werd geschat op zes jaar. Ze werd opgevoed als een eigen kind. Met veelvuldig bidden, want mem Wierdsma was gereformeerd.

,,Niemand wist het, maar iedereen wist het”, zegt ze op de vraag hoe de buren reageerden. ,,Als er Duitsers de straat in kwamen, werden we gewaarschuwd.”

Met de buren was afgesproken dat in noodgevallen de kleine Betty achter over de schutting kon worden gekiept door de grote jongens. Er lagen matrassen aan de andere kant. Zo ver heeft het gelukkig nooit hoeven komen, al weet Estha zich nog als de dag van gisteren te herinneren dat de Duitsers binnenvielen om te controleren of er geen illegale radio in de kamer stond. ,,We zaten met een heel stel kinderen braaf te spelen. Ik viel niet op.”

Ziekenhuis

Ze lag regelmatig in het ziekenhuis omdat ze last had van schurft. ,,Een keer moest ik eerder naar huis, omdat de vrouw van een NSB’er moest bevallen. Ze liep rond en was al een paar keer bij mij op de kamer geweest. Dat vertrouwden de zusters niet.”

Fryslân zoekt jonge Joodse onderduikers. Het gaat om kinderen - degenen die nu nog leven zijn hoogbejaard - die vanuit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam over het IJsselmeer naar Fryslân werden gesmokkeld https://t.co/BFqZ6ltcJQ

— Friesch Dagblad (@frieschdagblad) November 18, 2019

Het bleef belangrijk om geen aandacht te trekken. Als het verband moest worden gewisseld, een pijnlijke zaak, stond een van de broers hard te zingen om het gehuil van Betty te overstemmen.

Na de oorlog gingen overlevenden op zoek naar hun verwanten. De ouders van Estha plaatsten op zaterdag 9 juni 1945 een oproep in dagblad Trouw . Ze zochten hun dochtertje, dat in 1943 was weggehaald bij haar grootouders. Te herkennen aan ‘eenige roode vlekjes’ onderaan haar rug.

Estha: ,,De Wierdsma’s waren allemaal schippers. Omke Hille lag in juni met het schip in Amsterdam en las die advertentie. Mem had hem na de oorlog verteld dat ik eigenlijk Estha Gobes heette. Hij heeft toen mijn ouders naar Sneek gevaren.”

Bij de Waterpoort zag Estha oom Hille aankomen. Ze zwaaide vanaf de kade. ,,Toen is mijn vader van boord gesprongen en naar de kant gezwommen. Ik ben huilend naar huis gerend. ‘Mem! Mem! Der sit in frjemde man achter my oan!’, schreeuwde ik. Mijn grootste trauma was dat mijn ouders terugkwamen. Een vreemde man die me op schoot trok, die me zoende. Ik wilde dat helemaal niet.”

Maar het gebeurde toch. En Estha moest mee naar Amsterdam. ,,Ik heb mem gevraagd of ik nog een poosje mocht blijven, maar mem zei ‘Nee, onze taak is afgelopen.’”

Liwwadders en Snekers

Haar ouders namen ook neef Joop onder hun hoede. Die was als wees uit de oorlog gekomen. ,,Joop zat in Leeuwarden ondergedoken. Hij sprak Liwwadders en ik Snekers. We hebben wat afgeruzied.”

En zo ontstond een gezin dat bestond uit twee ouders die drieënhalf jaar lang op een kamer van anderhalf bij twee hadden gezeten met twee wildvreemde kinderen. Estha: ,,Toch ben ik er vrij normaal uit gekomen.”

Ze bleef niet in Amsterdam, maar verhuisde naar Israël, waar ze Ezra Tsaig leerde kennen. Toen ze trouwden, waren heit en mem getuige. ,,Ik heb altijd contact gehouden. Een van mijn pleegzusjes heeft haar dochter naar mij vernoemd. Die heb ik ten doop gehouden.”

Plaatopname

Op 5 april 1942 waren Dries en Celine Gobes vijf jaar getrouwd. Ze zaten ondergedoken in hun woonplaats Amsterdam bij goede vrienden. Ze zouden dik drie jaar doorbrengen in een kamertje van anderhalf bij twee meter.

Hun driejarige dochtertje Estha hadden ze bij de ouders van Dries ondergebracht, in de veronderstelling dat ze daar veilig zou zijn. Maurits, de broer van Dries, en zijn vrouw Betty hielden een oogje in het zeil. Oom Maurits regelde een speciaal cadeau. Hij liet een plaatopname maken van zijn kleine nichtje. Estha zingt daarop alle kinderliedjes die ze kent, geholpen door Maurits en Betty.

Estha is op 10 juni 1943 weggehaald bij haar grootouders en belandde in september in Sneek bij de familie Wierdsma. Ze overleefde de oorlog, net als haar ouders. Die plaatsten een opsporingsadvertentie in dagblad Trouw, die toevallig gelezen werd door een ‘omke’.

Opa, oma, Maurits en Betty zijn op 2 juli in Sobibor vermoord. Van de 177 familieleden bleken er na de bevrijding nog negen in leven. De glazen plaat is bewaard gebleven en ligt bij Estha thuis in Israël.

Nieuws

menu