Dit artikel is vandaag gratis

Op zoek naar jonge Joodse onderduikers

Lea Tropp uit Abbega, broer Izak en nichtje Basja. Lea behoorde tot de Joodse kinderen die vanuit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam naar Fryslân werden gesmokkeld en hier een onderduikadres kregen. Foto: Stichting De Verhalen

Op een herdenkingsbijeenkomst in mei 2020 wil Stichting De Verhalen 210 Joodse onderduikkinderen nog één keer in Fryslân samenbrengen. In de oorlog werden ze over het IJsselmeer uit Amsterdam hierheen gesmokkeld. Inmiddels zijn ze - voor zover nog in leven - hoogbejaard. Het plan is om ze straks in Fryslân hun verhaal te laten vertellen. Iedereen kan helpen om ze terug te vinden.

Eigenlijk is Fryslân pas wakker geworden toen de Joden hier allemaal waren weggehaald. Toen zijn de Friezen Joden uit de Randstad gaan redden.”

Het klinkt hard. Maar Bert Jan Flim, historicus en docent geschiedenis aan roc Friesland College in Leeuwarden, is niet van het mild verpakken van feiten. In zijn boek Onder de klok beschrijft hij minutieus en onverbloemd hoe de hulp aan Joodse kinderen was georganiseerd in de jaren 1942-1943. ,,De deportaties begonnen in de zomer van ‘42. Begin oktober van dat jaar waren alle zeshonderd Friese Joden al gedeporteerd. Daar heerste woede over onder de Friese bevolking, die besloot andere Joden te gaan helpen.”

Het klinkt extra luid in de vrijwel lege Doopsgezinde Kerk aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden, waar Flim zijn verhaal doet. Deze kerk speelde een rol in het systeem van het smokkelen van Joodse kinderen vanuit Amsterdam en het onderbrengen bij onderduikgezinnen in Fryslân. Daar werkte van 1937 tot 1957 predikant Felix van de Wissel, en hij zocht en vond opvangadressen in zijn gemeente. Zijn kerk aan de Wirdumerdijk had een netwerk van leden in dorpen in de wijde omgeving. De doopsgezinde gemeente had en heeft een sterke regionale functie, anders dan de gereformeerde en hervormde kerken, met in vrijwel alle dorpen een vestiging.

Zo werden er via de vermaning aan de Wirdumerdijk heel wat Joodse kinderen ondergebracht in dorpen rondom de stad. Met hulp van doopsgezind gemeentelid Krijn van der Helm, een man met een groot netwerk dankzij zijn betrokkenheid bij de LO (de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de Knokploeg van Leeuwarden.

Via het IJsselmeer naar Fryslân

De Wirdumerdijk was voor een deel van de kinderen het eind van een lange smokkelroute. Die begon bij de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan, waar alle Amsterdamse Joden bijeen werden gedreven voordat ze op transport gingen naar Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen. Kinderen tot twaalf jaar werden van hun ouders gescheiden en in de crèche aan de overkant ondergebracht.

Vanuit de crèche werden in de eerste negen maanden van 1943 zo’n zeshonderd kinderen wegge-smokkeld naar onderduikadressen in heel Nederland. Via de smokkelroute over het IJsselmeer werden naar schatting 210 kinderen gered. Daar begint het verhaal van Flim, tevens het verhaal van het gezamenlijke project De Terugkeer van de Joodse Kinderen van Stichting De Verhalen, de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad, Omrop Fryslân en Tresoar. Flim schat dat er nog zo’n zeventig in leven zijn, van wie een deel in Israël woont.

Bert Jan Flim is dé kenner van de Joodse onderduik. Hij promoveerde in 1995 op de geschiedenis van het ‘kinderwerk’. Gerard van der Veer van Stichting De Verhalen is ook al jaren bezig met het onderwerp. Hij maakte onder meer twee documentaires over het vroegere Psychiatrisch Ziekenhuis in Franeker tijdens de Tweede Wereldoorlog en schreef een theatervoorstelling over de Jodin Lea Tropp, die in Abbega zat ondergedoken. Die voorstelling is de basis van het project dat Van der Veer heeft bedacht. De première is op 15 april, de dag dat Fryslân werd bevrijd, in de Amsterdamse Uilenburger synagoge. Daarna gaat de voorstelling via de destijds gevolgde smokkelroute op reis. Onderweg wordt gespeeld in Lemmer, Abbega, Sneek en Leeuwarden.

Voor Bert Jan Flim persoonlijk begon het trouwens in zijn studententijd met de voordeurbel thuis in Nijverdal. Daar stond ineens Ed van Thijn, destijds minister van Binnenlandse Zaken, die in de oorlog door onder anderen Flims vader was gered en daarvoor een Yad Vashem-onderscheiding wilde aanvragen. Pas toen ontdekte Bert Jan dat zijn vader in de Tweede Wereldoorlog deel had uitgemaakt van de verzetsgroep NV. Dat was naast het Utrechts Kindercomité en de Amsterdamse Studenten Groep de derde organisatie die Joodse kinderen in veiligheid bracht. Hij had de zorg over meer dan zeventig Joodse kinderen, onder wie dus Ed van Thijn, die hij acht keer achter op de fiets naar een ander onderduikadres bracht. Totdat de jonge Ed uiteindelijk toch in Westerbork belandde, waar hij werd bevrijd.

De NV plaatste kinderen in het zuiden van het land. De Amsterdamse Studenten Groep (ASG) richtte zich op het Noorden. Twee studenten, Piet Meerburg in Amsterdam en Jan Meulenbelt in Utrecht, staan aan de wieg van die kinderhulp. Flim: ,,Het waren allemaal studenten, jonge mensen dus, die er bewust voor kozen om kinderen te redden. Ze richtten zich om pragmatische redenen op kinderen, want als negentien-, twintigjarige moet je wel autoriteit hebben. Kinderen deden eerder wat ze zeiden. Ze hoefden er niet mee te onderhandelen en ze hoefden niks uit te leggen.”

In het begin waren de taken duidelijk verdeeld. Vrouwelijke studenten in Amsterdam haalden Joodse kinderen bij hun ouders weg, stapten ermee op de trein naar Utrecht, waar de groep het overnam en de kinderen onderbracht op onderduikadressen. Ze ontmoetten elkaar bij de stationsklok, de verklaring van de boektitel Onder de klok. In de zomer van 1942 zijn er zo al zeker tachtig kinderen opgehaald, weet Flim.

Baby’s in de rugzak

Opgehaald. Het klinkt zo simpel. Maar hoe vreselijk moet dat zijn geweest voor de ouders. Die gaven hun kinderen, soms baby’s nog, af met onbekende bestemming aan een wildvreemde jonge vrouw. Sommige studentes vertelden later dat ze die eerste tijd eigenlijk helemaal niet het idee hadden dat ze bezig waren met verzetsdaden. En dat ze weinig moeite hadden met het ophalen en meenemen van de kleintjes. Het was immers voor een goed doel. Ze stonden niet lang stil bij de gruwelijke realiteit.

Op de Plantage Middenlaan passeren en stoppen voor de deur van de schouwburg twee tramlijnen. Dat is nu zo, maar destijds ook. Het moment dat die twee trams het zicht ontnamen op de ingang van de crèche, gebruikten de studentes om ongezien met een of twee kinderen weg te glippen. Baby’s in rugzakken, in kartonnen dozen, er is van alles gebruikt en gedaan om de kleintjes ongezien weg te krijgen. Snel, snel, naar het IJ, waar de boot naar Lemmer lag. Met deze Jan Nieveen zijn honderden Joodse kinderen naar Fryslân gesmokkeld. De trein werd steeds minder vaak gebruikt, daar werd gecontroleerd.

Flim: ,,Die kapitein van de Lemster boot moet een geweldige man zijn geweest. Die zag keer op keer jonge vrouwen met steeds andere kinderen de oversteek maken en weer alleen terug komen. Hij heeft nooit iets gezegd.”

Dat was eigenlijk tekenend voor de hele situatie rond de kinderhulp. Geheimhouding bestond niet: iedereen in een dorp wist natuurlijk dat die-en-die een kind in huis hadden dat niet van henzelf was. De ondergedoken kinderen waren een collectieve verantwoordelijkheid van de hele gemeenschap. Flim spreekt van een ‘cocon’. De kinderen kwamen gewoon buiten en gingen naar school. Blonde kinderen werden in Fryslân geplaatst, donkerharige kinderen in Limburg, al zijn er in Fryslân ook kinderen met waterstofperoxide geblondeerd. ,,Het succes stond of viel met het stilzwijgen er omheen. Dat zag je ook in de dorpen. Daar woonden natuurlijk ook NSB’ers. Maar in 1943 was echt wel duidelijk hoe de vlag erbij hing. Hoe het zou aflopen. Dan werden die mensen gewoon onder druk gezet om hun mond te houden.”

Op het platteland zag je ook niet veel Duitsers. En er waren waarschuwingssystemen. Bovendien wisten ze in de dorpen heel goed wie te vertrouwen was en wie niet.

Van Lemmer liep de smokkelroute door naar Sneek. Daar was een nicht van Piet Meerburg hulppredikant van de Nederlands Hervormde kerk. Deze Mia Coelingh werd vanaf februari 1943 ingeschakeld. Zij was weer bevriend met Gérard Jansen, kapelaan van de Rooms-Katholieke Kerk in Sneek. Samen met Willem Mesdag, dominee van de Doopsgezinde Kerk, wist dit ‘oecumenisch driemanschap’ tachtig Joodse kinderen te verbergen in hun netwerk.

Toen de vraag naar gastadressen groeide, benaderde Willem Mesdag zijn collega Felix van de Wissel. En zo belanden we dan uiteindelijk aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden, waarvandaan honderd kinderen werden ondergebracht. Verder vonden nog dertig kinderen in en om Joure een onderduikgezin, via verzetsman Sjoerd Wiersma.

Te laat

Eind september 1943 gaat de crèche tegenover de schouwburg dicht. De Duitse bezetters zijn klaar: alle Joden zijn weggehaald uit Amsterdam. De studenten hebben zeshonderd kinderen weten te redden. Flim: ,,Toch is de hulp te laat begonnen. Pas in mei 1943 stond er een professionele organisatie, maar toen was de helft van alle Nederlandse Joden al dood.”

Hij beschrijft in zijn boek hoe Piet Meerburg in 1942 vergeefs om opvangadressen zocht in Fryslân. ,,Toen wist men in de provincie nog totaal niet wat er gebeurde in de grote steden in het Westen.”

Of er misschien meer dan 210 kinderen via deze smokkelroute naar Fryslân zijn gekomen is niet bekend, maar Flim denkt dat buiten deze route om een veelvoud naar hier is gekomen. Kant en klare namenlijsten zijn er amper. Dat was destijds ook veel te gevaarlijk. De organisaties werkten met gecodeerde lijsten, en ook die moesten niet in verkeerde handen vallen. ,,Piet Meerburg, Wouter van Zeytveld en Iet van Dijk hadden een namenlijst in drie verticale banen gesplitst. Piet had de adressen, Iet de namen en Wouter de administratieve gegevens zoals de bonkaarten.”

Gewone gezinnen

De smokkel van de 210 kinderen is een bijzondere oorlogsgeschiedenis waarin naast deze kinderen het Friese verzet, maar vooral ook heel veel gewone gezinnen een prominente rol hebben gespeeld. Waarin het begrip mienskip een bijzondere betekenis kreeg. Maar ook een stuk geschiedenis waarin alle grote thema’s van de oorlog samenkomen.

De Leeuwarder Courant , Friesch Dagblad , Omrop Fryslân en Stichting De Verhalen willen deze ‘kinderen’ - voor zover ze nog in leven zijn - opsporen. Waar zijn ze opgevangen, waar zijn ze gebleven, hoe is het ze vergaan? Voor deze speurtocht roepen we de hulp in van de Friese bevolking. Vanaf vandaag gaan we verslag doen van de research en verhalen publiceren van en over de Joodse kinderen, samen met relevante verhalen die door lezers worden aangedragen. In de kranten, op radio, tv of op de speciale website, op Facebook, kortom op alle mogelijke manieren en podia zal de voortgang van het project te volgen zijn. Daarnaast worden in samenwerking met FryslânDOK voor NPO 2 en Omrop Fryslân TV vier documentaires gemaakt.

De zoektocht loopt tot mei 2020. Dan vieren en gedenken we dat ons land 75 jaar geleden is bevrijd. Op 1, 2 en 3 mei staan tijdens de onderduikdagen de levensverhalen centraal van de Joodse kinderen die naar Fryslân zijn gesmokkeld. Het is de bedoeling op een van die dagen zo veel mogelijk van deze ‘kinderen’ hun verhaal te laten vertellen in het huis of de plaats waar ze ooit ondergedoken hebben gezeten. De verhalenroute is voor een breed publiek toegankelijk.

De ‘Joodse kinderen’ die nog leven zijn volgend jaar tussen de 77 en 90 jaar. Hun verhaal is een universeel verhaal dat tot op de dag van vandaag duurt, dat vertelt wat oorlog met mensen doet en dat niet ophoudt als de vrede eenmaal is getekend. Een verhaal waarin ook de moed van de Friese gemeenschap gezien wordt, en de waarden worden benoemd van een samenleving die zich bekommert om kinderen in nood.

De groep die het nog kan navertellen wordt steeds kleiner. En de tijd om hun verhalen en nalatenschap door te geven aan volgende generaties steeds korter. Het lustrumjaar 2020 is daarom een belangrijk jaar. Nu het nog kan, willen we vastleggen wat er zich heeft afgespeeld, zodat dit stuk Friese geschiedenis bewaard blijft. Dat is waardevol, zegt Flim. ,,De Friese bevolking heeft heel speciale dingen gedaan, het is mooi dat daar aandacht voor komt. En het is goed voor de Joodse kinderen van die tijd, die ook nieuwsgierig zijn wat er is gebeurd. Het kan aan de andere kant ook traumatisch zijn, om erover te vertellen of te lezen.”

Van der Veer: ,,Ondanks hun levenslange worsteling met vraagstukken over hun afkomst, kunnen ze vaak krachtig hun verhaal vertellen. Die oorlog zit ín hen. We hopen ze te ontmoeten, in mei volgend jaar.”

www.joodsekinderen.nl

info@joodsekinderen.nl


Het project De terugkeer van de Joodse kinderen is een samenwerking tussen Stichting De Verhalen, Omrop Fryslân, Leeuwarder Courant en Friesch Dagblad. De provincie Fryslân subsidieert het. Kernredactie: Karen Bies, Marja, Boonstra, Martijn van Dijk (RUG), Wybe Fraanje en Gerard van der Veer.

Nieuws

menu