Natuurgebied moet niet verpest worden door mountainbikes en fietsen, reptielen leggen het loodje door wildgroei aan fietspaden | Opinie

In de Bakkeveense Duinen mag niet meer gefietst en gemountainbiket worden. It Fryske Gea en Staatsbosbeheer vinden dat te schadelijk voor de natuur. Reptielenorganisatie RAVON constateert een wildgroei aan ATB- en fietsroutes in natuurgebieden, en ziet slangen en hagedissen het loodje leggen.

Door fietsverkeer overreden zandhagedis in Nationaal Park Zuid-Kennemerland (Noord-Holland).

Door fietsverkeer overreden zandhagedis in Nationaal Park Zuid-Kennemerland (Noord-Holland). Foto: Harry Hobo

Nederland is wereldberoemd om de fiets. Je kunt in ons land 37.000 kilometer fietsen zonder ook maar één fietspad dubbel te rijden - bijna de aarde rond. Fietsen is populairder dan ooit en wordt gestimuleerd met de ongebreidelde aanleg van snelfietspaden, e-bike-paden, ATB-tracés en het verharden van onverharde paden in natuurgebieden.

Een goed voorbeeld van de problematiek is het ATB-netwerk op de Sallandse Heuvelrug. Jaarlijks telt één vrijwilliger daar vele tientallen doodgereden hazelwormen, zandhagedissen en levendbarende hagedissen. In 2020 waren dat bijna honderd slachtoffers en dat op slechts een deel van het totale ATB-netwerk binnen het gebied.


Dan is er de Cartierheide, waar op jaarbasis twintig tot 45 doodgefietste gladde slangen worden gevonden, de Stroese heide waar adders worden doodgefietst, en de Schoorlse Duinen met talloze zandhagedisslachtoffers.

Rob Bijlsma publiceerde onlangs in De Levende Natuur een stuk over zijn jarenlange monitoring naar hazelwormslachtoffers in het Drents Friese Wold: een verdubbeling van fietsverkeer leidt ongeveer tot een verdubbeling van hazelwormslachtoffers. Verspreid over het land zijn er legio plekken - in beschermde natuurgebieden - waar deze onnatuurlijke mortaliteit van bekend is.

Reptielen en fietsverkeer

In de jaren negentig raakte men doordrongen van het feit dat de Nederlandse natuurgebieden te veel doorsneden waren door autowegen. Dit resulteerde in 2000 in de effectuering van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS; het huidige Natuurnetwerk Nederland) en in 2005 in het Meerjarenplan Ontsnippering (MJPO). Met de ‘rage’ om natuurgebieden op aanzienlijke schaal te plaveien voor fiets- en ATB-recreatie, gebeurt er op kleiner formaat nu feitelijk hetzelfde als destijds.

Inzoomend op reptielen kunnen we constateren dat de belangrijkste leefgebieden, heide en hoogveen, enorm in oppervlakte achteruit zijn gegaan: sinds 1900 met bijna 90 procent. In de restanten ondervinden veel soorten de druk van droogte, stikstof, ongunstig beheer en verstoring. Reptielen zijn daarnaast gevoelig voor landschapsversnippering door bijvoorbeeld wegen.

Simpel gezegd kunnen dieren elkaar niet meer bereiken, met genetische isolatie en kans op inteelt tot gevolg. Als ze dat toch proberen, lopen ze grote kans om overreden te worden. Reptielen kunnen wegen en fietspaden immers niet door de lucht oversteken, maar moeten dat altijd over beton, asfalt of halfverharding doen. Zeker vijf van de zes inheemse reptielensoorten vallen op talloze plaatsen in Nederland ten prooi aan het meedogenloze fietswiel. Soorten als hazelworm en verschillende slangen kunnen zich uiterst moeizaam op gladde ondergronden voortbewegen en sommige reptielen ‘verstijven’ bij naderend verkeer; veelal resulterend in de dood van het diertje.

Wet Natuurbescherming en fietspaden

Ook in de kustduinen, in dit geval Solleveld (Zuid-Holland), zijn en worden nog steeds nieuwe fietspaden aangelegd in onaangetast duin en leefgebied van onder andere de zandhagedis.

Door gebrek aan adequaat vooronderzoek en kennis en wellicht ook het lef om negatieve uitkomsten aan opdrachtgevers te rapporteren resulteert de natuurtoetsing doorgaans in de stellingname dat ‘de duurzame staat van instandhouding niet in het geding komt’. Vrij vertaald: ondanks dat door een ingreep waarschijnlijk of zeker schade zal optreden aan soorten, zullen deze niet uitsterven als gevolg van deze ingreep.

Echter, de populatiegrootte en duurzame staat van instandhouding worden nimmer bepaald; dat is immers ingewikkeld, tijdrovend en kostbaar. Bovendien worden uiterst zinvolle mitigatievormen, die overrijding nagenoeg kunnen uitsluiten, vaak vanwege financiële motieven weggewuifd. Sec genomen zouden we kunnen stellen dat - met dit principe van staat van instandhouding - we ook grote delen van de duinen kunnen afschrijven voor de zandhagedis, omdat er soms wel duizenden leven. Voor een duurzame populatie zijn dat er meer dan genoeg en dus kan het ‘surplus’ ten faveure van recreatieve en economische belangen probleemloos worden opgeofferd.

Met een dergelijke (opportunistische) interpretatie wordt de Wet Natuurbescherming niet gebruikt om natuur te beschermen, maar om te toetsen hoeveel natuur je kan schaden of weghalen, zonder dat een soort volledig omvalt. En zo takelt de natuur steeds verder af.

Dit balanceren op grenswaarden volstaat volstrekt niet, zeker niet in tijden waarin de natuur jaarlijks en in toenemende mate wordt geconfronteerd met calamiteiten zoals droogte, natuurbranden en ziekten. Robuuste populaties, aaneengesloten leefgebieden zonder verstoring en onnatuurlijke mortaliteit, dát is waar het in natuurgebieden om moet gaan; daarvoor zijn ze bedoeld.

Druk op natuurbeheerders

RAVON krijgt zo nu en dan de vraag hoeveel (zwaar) beschermde reptielen er op fiets- en ATB-routes kunnen worden doodgereden zonder dat het de populatie schaadt. Van natuurbeheerders, nota bene. Hoewel óók de natuurbeheerders die wij spreken dergelijke ontwikkelingen onwenselijk vinden, schikt men zich er uiteindelijk vaak wel in. De druk vanuit overheden is groot en terreinbeheerders hebben geen behoefte om eindeloos te handhaven op illegale ATB-recreatie, waardoor deze dan wordt gedoogd of gelegaliseerd.

Het is pijnlijk om te zien hoe de natuur nog verder wordt teruggedrongen, zelfs in natuurgebieden. De wildgroei aan fiets- en ATB-paden baart ons oprecht grote zorgen. En de recreatieve ontwikkelingen staan ook niet bepaald stil: e-choppers/elektrische scooters hebben hun intrede op de Veluwe al gedaan en in de advertenties prijken de scooters met hun brede banden volop in heidegebieden.

Overheden en terreinbeherende organisaties zouden niet langer concessies moeten doen aan de kwaliteit van de natuur in hun natuurgebieden; de druk door de enorme afname aan oppervlakte en kwaliteit is al enorm en de toekomst van veel soorten is daarmee al onzeker.

Stoppen met de aanleg van nieuwe en het verbreden of verharden van bestaande (halfverharde) paden en een fikse inkrimping en/of verlegging van ATB-tracés en fietspaden is zeer wenselijk. Genieten van de natuur mag zeker, maar niet ten koste van die natuur. RAVON roept terreinbeheerders en overheden daarom nadrukkelijk op om met veel meer zorg na te denken over aanleg en ‘opwaardering’ van fietspaden in hun natuurgebieden en daarbij speciale aandacht te besteden aan de kwetsbare kruipende fauna.

Richard Struik en Jeroen van Delft zijn van RAVON. Dit artikel verscheen ook op natuurbericht.nl