Opinie: Solidariteit ontstaat doordat protestantse gemeenten zelf de broek kunnen ophouden

Protestantse gemeenten moeten meer inzicht geven in hun bezit. Maar: als je verplicht met de billen bloot moet, wekt dat weerstand, waarschuwt Jurrien Mol.

Als je verplicht met de billen bloot moet, wekt dat weerstand. Liever houd je je broek op als je aan de slag gaat. Met de broek op de enkels omdat de billen bloot moeten, gaat dat niet.

Als je verplicht met de billen bloot moet, wekt dat weerstand. Liever houd je je broek op als je aan de slag gaat. Met de broek op de enkels omdat de billen bloot moeten, gaat dat niet. Foto: Shutterstock

Oneliners doen het meestal goed maar geven zelden een goed beeld van de situatie. Deze gedachte kwam bij mij op toen ik het onderschrift las bij de foto bij het artikel van Gerhard Bakker over het bezit van kerkelijke gemeenten: ‘Was het niet Christus zelf die ons opriep om te delen?’, stond daar.

De oneliner was uit het slot van zijn bijdrage (‘Plaatselijke kerk moet nu met de billen bloot aangaande vermogen en bezit’, Friesch Dagblad, 31 maart) genomen. Dit ter rechtvaardiging van het beleid van de Protestantse Kerk die een steeds dikkere vinger in de pap wil van plaatselijke gemeenten en hun bezit en geld. Deze tendens riep een reactie op van Geert Benedictus (‘Vertrouwen we op het vermogen in de kerk of op God?’, Friesch Dagblad, 7 april) waarin ik veel herken en dat ik grotendeels onderschrijf. Of zijn gereformeerde afkomst debet is aan zijn gedachten kan ik niet voor hem bepalen. Vanuit mijn hervormde achtergrond ervaar ik eveneens weerstand.

Duidelijk voorbeeld

In de Nederlandse Hervormde Kerk werden er landelijk vele regels opgesteld terwijl plaatselijke gemeenten die zelf interpreteerden. Zo konden er nog lang na de voorgeschreven aanpassing van het beheer aan de kerkorde van 1951 gemeenten bestaan met vrij of oud beheer. Niet dat dit mijn voorkeur had, maar het is wel een duidelijk voorbeeld van de leefwijze in de Nederlandse Hervormde Kerk. Het uitblijven van sancties past in dat licht. De generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en haar organen waren geen politbureau. Ik wens dat de generale synode van de Protestantse Kerk en de dienstenorganisatie in Utrecht dat ook niet worden, evenmin als de classicale colleges en organen zoals bijvoorbeeld de Classicale Colleges voor de Behandeling van Beheerszaken (CCBB).

Voor alle duidelijkheid: ik voldoe vrijwel geheel aan de geschetste karakteristiek van Bakker en schrijf op persoonlijke titel. Ik ben voltijds predikant in een kleine gemeente (nog wel meer dan honderd leden en drie dorpen, dat dan weer wel) die beperkt afhankelijk is van de opbrengst van Kerkbalans. Hierin is mijn situatie anders dan die Benedictus beschrijft voor Garyp. Op zijn vraag of het dan nog wel een levende gemeente is, zou ik hem graag een keer uitnodigen in deze buurgemeente. De vitaliteit is – God zij dank – niet afhankelijk van ledenaantallen. Voldoende financiële middelen geven wel armslag om daaraan te werken.

In zijn bijdrage speelt Bakker de troefkaart van solidariteit weer uit. Deze wordt ondersteund met de oneliner dat Christus ons geleerd heeft te delen. Wie zou ook maar iets tegen deze Bijbelse waarheid durven inbrengen? Laat ik dat toch in alle voorzichtigheid proberen. Tijdens het mini-symposium bij het afscheid van dr. Klaas Dijkstra (als regionaal adviseur classicale vergaderingen van Fryslân) waarnaar Bakker verwijst, heb ik dat ook geprobeerd.

Juist omdat een lid van het RCBB (voorloper van het CCBB) tijdens een bijdrage meldde dat de toestemming aan een kleine en rijke gemeente om een nieuwe voorganger te beroepen eerst op het Procrustesbed van de solidariteit gelegd werd alvorens de autorisatie zou worden verleend.

Naar mijn mening behoort het college zich bezig te houden met de vraag of een gemeente haar predikant kan betalen en moet men zich niet mengen in het plaatselijke beleid van een gemeente. Daar zijn eventueel andere colleges voor, maar niet het oneigenlijke gebruik van het onthouden van de autorisatie door het CCBB. Met dit voorbeeld wil ik de tendens van centralisatie en een dikke(re) vinger in de plaatselijke pap illustreren.

Misbruik

Er zijn nog twee zaken die om aandacht vragen. De belangrijkste is wat mij betreft het selectieve gebruik van een Bijbelstekst in de bijdrage van Bakker. Door een tekst zo los te pellen uit de context en te doen alsof deze zonder vertaalslag toe te passen is op de besproken situatie schendt Bakker de regels van Bijbeluitleg (exegese) en vertaling naar onze situatie (hermeneutiek). Voor je het weet, beland je in een gevecht dat gevoerd wordt met het over en weer ‘smijten’ met Bijbelteksten. Of je gaat terug naar negentiende-eeuwse theologiebeoefening waarin de Bijbel gebruikt werd als een verzameling bewijsplaatsen van onze inzichten. Van mij mag het ook misbruik heten.

Ik vind het dus weinig vruchtbaar om op deze manier een argumentatie af te ronden met een oneliner. Het misleidende ervan is wat mij betreft dat het een knockdown argument moet zijn - wat echter niet het geval is. Er is vanuit de Bijbel meer over geld en goed te zeggen, en de omgang daarmee, dan dit.

De tweede zaak is die van de verwachte solidariteit. Als dat de bedoeling is van de nieuwe financiële beheersregels verwacht ik er niet veel van: solidariteit kun je niet opleggen en laat zich niet afdwingen. In de beoogde beheersregels zie ik veeleer de hang naar een centraal geleide kerk waar ‘rijke gemeenten’ een fors quotum mogen afdragen om landelijk gekozen aandachtsvelden te financieren. Door zo af te romen moeten er nog meer dorpen samen een (deeltijd) predikant of kerkelijk werker hebben, ongeacht of ze bijvoorbeeld wat betreft theologische ligging bij elkaar passen, met alle gevolgen van dien. ‘Solidariteit’ is de stoplap voor deze trend, maar uiteindelijk is het kaalslag van het geestelijk leven in vele kleine gemeenten op het platteland, wat leidt tot nog meer lege kerken.

Dit betekent niet dat er geen solidariteit is, voornamelijk solidariteit die zichtbaar is en dichtbij. De voorbeelden in het artikel van Bakker onderschrijven dat. Die zijn niet ontstaan omdat de gemeenten met de billen bloot moesten, maar juist omdat gemeenten de broek kunnen ophouden. Gemeenten met geld – ‘rijke gemeenten’ – kunnen hun eigen afweging maken waarvoor ze hun middelen inzetten of aanwenden. Hierbij zijn ze beslist niet doof voor adviezen. De cijfers waaraan Bakker zo hecht, zijn bekend. Hoe had dr. Van der Meulen van de PThU anders een schatting kunnen maken? Voor de leden van een gemeente zijn ze in te zien en naast de jaarrekening gaat er ook een balans naar het CCBB.

Of de publicatie van het aantal gebouwen dat een gemeente bezit en hoe groot het areaal grond is en door dat op geldwaarde te stellen in een balans de solidariteit bevordert, waag ik te betwijfelen. Naar mijn mening is een spreken van onrechtvaardigheid over de verhouding tussen gemeenten en de bemensing te kort door de bocht en doet geen recht aan de betrokkenen. In dit verband denk ik bijvoorbeeld aan de fondswerving voor de nieuwe Friese Bijbelvertaling. Er werd gericht campagne gevoerd richting ‘rijke gemeenten’ en bij mijn weten was de respons behoorlijk.

Minder bemensing

Ook denk ik aan mijn discussies met Dijkstra over solidariteit en verdeling van middelen. Niemand ontkent dat de kerk krimpt en met minder bemensing toe moet. Het aantal deeltijd functies stijgt. Het gevolg hiervan is dat het steeds lastiger wordt om mensen bereid te vinden om een bovenplaatselijke taak in de kerk of kerkelijk gerelateerd verenigingen te vervullen.

Naast een algemeen maatschappelijke trend van afnemende bereidheid om taken te vervullen, is dit ook in de kerk aan de hand. ‘We’ hadden zeven classes in Fryslân en nu nog één Classis Fryslân; zelfs die is soms moeilijk te bemensen. Door je als voltijdse predikant beschikbaar te stellen voor zulke taken beoefen je de verlangde solidariteit. De tijd die je daaraan besteedt, gaat ‘ten koste van’ de plaatselijke gemeente.

Het werk hoort echter gewoon bij het kerkenwerk en staat in de kerkorde omschreven (vandaar de aanhalingstekens) maar wie kan of wil het doen als je een deeltijdfunctie hebt? Of als je inderdaad zes dorpen moet bedienen? Misschien die predikant uit die ‘rijke gemeente’. Anders gezegd: de bevordering van solidariteit loopt naar mijn mening langs een andere weg dan beheersregeldwang. Als je verplicht met de billen bloot moet, wekt dat weerstand. Liever houd je je broek op als je aan de slag gaat. Met de broek op de enkels omdat de billen bloot moeten, gaat dat niet.

Dr. Jurrien Mol is predikant van de Hervormde Gemeente te Opeinde, Nijega, de Tike