Opinie: Vertrouwen we op het vermogen in de kerk of op God?

De Protestantse Kerk stelt vanaf dit jaar de eis dat kerkelijke gemeenten meer inzichtelijk maken wat de actuele waarde is van hun bezit. Geert Benedictus vindt de centralisatie en regelgeving vanuit ‘Utrecht’ niet juist.

Geert Benedictus vindt dat we in de kerk gemeenteopbouw moeten laten plaatsvinden door geloofsopbouw. ‘Het evangelie van Christus is de Bron.’

Geert Benedictus vindt dat we in de kerk gemeenteopbouw moeten laten plaatsvinden door geloofsopbouw. ‘Het evangelie van Christus is de Bron.’ Foto: Shutterstock

Zo tegen het einde van mijn ambtstermijn van ouderling-kerkrentmeester vindt de discussie plaats over het vermogen in de kerken. Voor mij is dit daarom ook een moment om de balans op te maken. Wat is mijn rol geweest? Die van het organiseren en in stand houden van een kerkelijk instituut óf het financieel faciliteren van een geloofsgemeenschap?

Nu is er dus de verplichting voor kerken om meer inzicht te geven in de werkelijke waarde van hun bezit en vermogen. Gerhard Bakker schreef vorige week in het Friesch Dagblad dat dit volgens hem een opmaat is naar meer solidariteit tussen de kerken. In voornoemd artikel van Bakker wordt voorzitter Rein Boersma van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer afdeling Friesland geciteerd: ‘De tijd dat we als gemeenten op onze eigen terp zitten is echt voorbij.’ De achterliggende vraag is of we als plaatselijke kerk zitten te wachten op regelgeving vanuit ‘Utrecht’ en de betrekkelijkheid van het hebben van vermogen?

Jaarrekening

In maart of april wordt in de meeste kerken de jaarrekening van het vorige jaar besproken. Wat mij als eerste opvalt is dat vier jaar geleden onze jaarrekening uit drie A4-tjes bestond. Eén pagina met het exploitatieoverzicht, één pagina met de balans, één pagina met een toelichting. Het gaf een compleet beeld van de financiële positie en was voor de meeste gemeenteleden goed leesbaar - en te begrijpen.

Nu, vier jaar later, wordt de jaarrekening opgemaakt in het door de landelijke kerk verplichte administratieprogramma FRIS en bevat de jaarrekening 34 pagina’s. In onze gemeente worden alle niet-pastorale functies nog door vrijwilligers uitgevoerd. Van vrijwilligers binnen onze dorpsgemeente die belast zijn met financiële zaken, krijg ik regelmatig te horen dat de regeldruk vanuit ‘Utrecht’ als onbeheersbaar wordt ervaren. Behalve de regeldruk is er ook nog een andere zorg: de jacht op het vermogen.

Voor bijna alle plaatselijke kerken en diaconieën die vermogen hebben wordt 2020 een topjaar. Vele kerken maken namelijk éénmalig ‘winst’

Voor bijna alle plaatselijke kerken en diaconieën die vermogen hebben wordt 2020 een topjaar. Vele kerken maken namelijk éénmalig ‘winst’. Soms gaat dat om hele grote bedragen. De landelijke kerk eist namelijk vanaf dit jaar dat de waarde van het bezit (exclusief het kerkgebouw) volgens de actuele waarde wordt opgenomen in de balans. Het verschil tussen de vaak (te) lage boekwaarden en de actuele waarde vormt nu éénmalig een winst in de exploitatierekening.

Lees ook: Paaskaars geeft Tjeerd Visser kracht en hoop

De Protestantse Kerk stelt dat dit - deze financiële inzichtelijkheid - een vereiste is om de ANBI-status te kunnen handhaven. Maar als we het synoderapport Werkzaam vermogen uit februari 2020 lezen, dan kunnen we, lijkt mij, zien dat er meer aan de hand is. Het rapport is in de generale synode van 19 juni 2020 uitgebreid besproken. En dat leverde toen ook al veel gespreksstof op.

Zeggenschap binnen eigen kerk

In politieke bewoordingen wordt in het rapport aanspraak gemaakt op het plaatselijke vermogen van kerken. Het rapport spreekt in termen als ‘grenzen aan vrijblijvendheid’, en een toenemende regierol van de provinciale classis en de Colleges voor de Behandeling van beheerszaken (CCBB, de instantie die de begrotingen en jaarrekeningen van plaatselijke kerken moet goedkeuren).

Als plaatselijke kerkrentmeester wil je waken over het vermogen wat de lokale gemeenschap ooit heeft samengebracht. Aan het aspect met welk doel ooit vermogen aan de plaatselijke kerk is geschonken, daar wordt geheel aan voorbij gegaan in het artikel van Gerhard Bakker.

Lees ook: Met vallen en opstaan ontvankelijk zijn

Onze eigen kerkgemeenschap heeft in de loop van de tijd enkele legaten ontvangen met een specifiek bestemming, zoals het onderhoud aan het kerkgebouw. Door de fusie van de Hervormde Gemeente en Gereformeerde Kerk tot de Protestantse Gemeente te Garyp, beschikt onze kerk ook over een aantal hectares pachtland.

Misschien komt het door mijn gereformeerde afkomst - en als wâldpyk - dat ik erg gehecht bent aan de zeggenschap binnen de eigen kerk en eigen dorp

Hoewel ik dat in de boeken niet terug kan vinden, heb ik via overlevering begrepen dat de opbrengst van het pachtland oorspronkelijk bedoeld was om het traktement (salaris) van de dominee van de toenmalige Hervormde Gemeente te kunnen betalen. De oorsprong en de doelstelling van het (geschonken) vermogen zal per kerk verschillend zijn.

Het voelt niet goed als de erg bestuurlijk en hiërarchisch ingestelde Protestantse Kerk centimeter voor centimeter ‘plaatselijk terrein’ inneemt. Misschien komt het door mijn gereformeerde afkomst - en als wâldpyk - dat ik erg gehecht bent aan de zeggenschap binnen de eigen kerk en eigen dorp. Vanouds is men bij de Nederlandse Hervormde Kerk meer gewend aan zeggenschap van bovenaf.

De waarde van het vermogen

Het blijft natuurlijk wél een terechte vraag: wat is de ‘waarde’ van vermogen van de kerk en hebben we als kerk dit vermogen allemaal zelf nodig voor mindere tijden? Anders gezegd: moet je dit beslist ‘op de bank’ laten staan?

De verschillen tussen rijke kerken en arme kerken, die in het artikel van Bakker zo pakkend worden getypeerd, is typisch een probleem van een instituut. Als een monumentale dorpskerk vanuit opbrengsten uit vermogen wordt bekostigd, dat kan ik mij goed voorstellen. Het wordt anders als het kunnen beroepen van een dominee afhankelijk is of wordt van je inkomsten uit vermogen. Kun je dan nog spreken van een levende gemeente?

Als je de vermogens van lokale kerken gaat centraliseren en vervolgens op basis van solidariteit gaat herverdelen wordt de kerk zelf een soort ‘stichting’ die als doel heeft om kerkelijke gemeenten in stand te houden. Net zoals we dat trachten te doen met kerkgebouwen die we niet als erfgoed willen kwijtraken.

Wel belangrijk is wáárom je dat doet? Het vermogen vergroten om van geld, méér geld te maken lijkt me niet goed. Dan is het motief hebzucht

Voor mijn eigen gemeente geldt dat de uitgaven gedekt moeten worden uit de jaarlijkse vrijwillige bijdragen, zoals actie Kerkbalans en collectes. Slechts 6,5 procent van de begroting wordt gedekt door inkomsten uit vermogen. Maar ook in die situatie heb je als kerkrentmeester het vermogen van de plaatselijke kerk te verdedigen en in stand te houden voor de lokale gemeenschap.

Lees ook: Kerkgebouw in het Friese landschap kan volgens Marijke Hoekstra bron zijn van regionale ontwikkeling

Wel belangrijk is wáárom je dat doet? Het vermogen vergroten om van geld, méér geld te maken lijkt me niet goed. Dan is het motief hebzucht. Geen persoonlijke hebzucht, maar het vertrouwen stellen op geld, als basis voor de toekomst van een krimpende kerk.

Geloofsopbouw

Als plaatselijke kerk moet je jezelf de vraag stellen of we ons zo sterk moeten fixeren op het in standhouden van een vermogen? Bezien we onze kerk als een instituut, dan kunnen we dit niet los zien van het vermogen. Als de leden niet genoeg geld opbrengen, dan kunnen we het instituut (gelukkig nog) voort laten bestaan door de inkomsten uit het vermogen.

Stellen we de geloofsgemeenschap echter boven het instituut dan geldt het credo ‘gemeenteopbouw door geloofsopbouw’. Ik verwijs hier naar het motto van de stichting Leven uit de Bron van ds. Jelle de Kok (PKN-predikant te Wilsum) die als missie heeft om de plaatselijke kerk in Nederland op te bouwen door geloofsopbouw. Het evangelie van Jezus Christus is de Bron.

Kiezen we voor het overleven als religieus instituut of als pluriforme dorpskerk, dan past daarbij de wereldse zekerheid van vermogen

Een instituut drijft vooral op de zekerheid van vermogen. In een levende kerk mag je verwachten dat ieder geeft wat nodig is om de kerk in stoffelijke zin draaiend te houden. Als kerk kunnen we daarom, denk ik, zonder een groot vermogen. Tenminste als we een levende kerk willen zijn. In een levende kerk zal de Geest ons opwekken tot geven. Kiezen we voor het overleven als religieus instituut of als pluriforme dorpskerk, dan past daarbij de wereldse zekerheid van vermogen. Macht en zeggenschap van ‘Utrecht’ of iets vriendelijker gezegd ‘onderlinge solidariteit’, maakt dit niet anders. Daarmee bouw je geen kerk op.

Geert Benedictus woont te Garyp en is lid van de Protestantse Kerk