Nationale protesten tegen de Europese Klimaatwet hielpen niet, want die kwam er uiteindelijk toch | Opinie

Het valt nogal tegen met de invloed van nationale parlementen op het Europese beleid. Ondertussen voert de Europese Commissie netjes de politieke dialoog.

Het Nederlandse parlement, de Eerste Kamer voorop, straalde altijd uit met enthousiasme het Europese beleid aan nationale parlementaire controle te onderwerpen.

Het Nederlandse parlement, de Eerste Kamer voorop, straalde altijd uit met enthousiasme het Europese beleid aan nationale parlementaire controle te onderwerpen. Foto: ANP

Het is al weer bijna twintig jaar geleden. Toen kwam een Europese Conventie bijeen om een ontwerp op te stellen voor een Europees grondwettelijk verdrag. Iedereen was vertegenwoordigd, ook de nationale parlementen. Het compromis dat daar werd gesloten en aan de basis lag van wat later het Verdrag van Lissabon werd: alle instellingen, ook de nationale parlementen moeten hun invloed op het Europese beleid zien toenemen. De vraag die toen al rees: wordt hier de vierkante cirkel nagestreefd?

De Nederlandse kiezers verwezen deze tekst op 1 juni 2005 in een referendum naar de prullenmand. Een nieuw Verdrag kwam echter alsnog in 2009 tot stand. Het Nederlandse parlement, de Eerste Kamer voorop, straalde altijd uit met enthousiasme het Europese beleid aan nationale parlementaire controle te onderwerpen. Een speciale website EuropaPoort is het nuttige bewijs ervan.

Nauwelijks gele kaarten

In dat opzicht voldoet het Nederlandse parlement wel aan de Europese bedoelingen. Maar de stok-achter-de-deur, een mogelijkheid om ook daadwerkelijk voorstellen van de Europese Commissie tegen te kunnen houden, blijkt overleden nog voor het tot enige wasdom is gekomen. In het jaarverslag over 2020 dat de Europese Commissie eind vorige week publiceerde, staat dat er nauwelijks gebruik wordt gemaakt van wat in de wandeling de procedures van de ‘gele kaart’ of de ‘oranje kaart’ heten.

Enthousiaste Europakenners in Den Haag willen ons wel eens laten geloven dat de Tweede en vooral de Eerste Kamer flink gebruik maken van de mogelijkheden ervan. Het jaarverslag over 2020 maakt korte metten met dat idee: het Nederlandse parlement komt niet voor in de top-tien van de 27 lidstaten. En dat is niet alleen het beeld van het afgelopen jaar, maar bleek ook in eerdere jaren. De twee grote voorbeelden uit het afgelopen jaar: het voorstel voor een Europese Klimaatwet en het voorstel om een Herstelfonds te ontwikkelen bovenop de gewone Europese meerjarenbegroting en met de mogelijkheid voor de Commissie om er geld voor te lenen op de kapitaalmarkt.

Subsidiariteit

Is die lage formele positie van de nationale parlementen erg? Een negatief antwoord op deze vraag is zeer te verdedigen. Tien jaar voor het grote, democratische debat over een Europees grondwettelijk verdrag besloten de lidstaten eind 1991 tot instemming met het Verdrag van Maastricht. Daarin staan beginselen als subsidiariteit en proportionaliteit. Vooral het begrip subsidiariteit trekt aandacht. De Europese Unie doet alleen wat strikt noodzakelijk is. De rest laat het over aan de lidstaten. Zo bleek Nederland in 2020 voorstander van nationale klimaatwetten. De Europese Klimaatwet kwam er toch.

Twee kanttekeningen. De eerste is meer formeel. Subsidiariteit is een beginsel met een dubbele bodem. Het blijkt de lagere overheden in het bouwwerk van vier bestuurslagen niet te beschermen tegen initiatieven van bovenaf. In de praktijk is daarom een ander begrip eroverheen geschoven: complementair bestuur.

Rond de eeuwwisseling is dat begrip in een aantal wetenschappelijke studies uitgewerkt. Grote voordeel voor lagere overheden: ze kunnen altijd volwaardig meedoen in Europese debatten over onderwerpen die hen aangaan. Daar zouden Nederlandse provincies en gemeenten nog wel meer aandacht aan kunnen geven. Die doen trouwens al veel in het kader van hun actieve betrokkenheid bij het advieswerk van het Europese Comité van de Regio’s. Een mooie deeltaak voor de Eerste Kamer in dit geheel: coördineren van dit werk. Immers, nationaal vinden de provincies hun regionale afvaardigingen terug in de senaat.

Slim indienen van voorstellen

Maar er is nog een ander, meer praktisch element. Een kleinere lidstaat als Nederland heeft invloed op het Europese beleid onder twee voorwaarden. De kwaliteit van de inhoudelijke voorstellen moet goed zijn. En de voorstellen moeten op tijd in de onderhandelingen worden ingebracht. Daarbij heb je niet zoveel aan het toepassen van procedures als die van de gele en oranje kaart.

De procedures die de Eerste Kamer heeft opgetuigd om het Europese beleid goed te volgen zijn van niet te overschatten waarde. Iedereen die er zijn best voor doet, kan in een vroeg stadium van voorbereiding van Europees beleid op de hoogte komen en er zijn voordeel mee doen. In de afgelopen twintig jaar zijn daar veel voorbeelden van te vinden. Zowel ten aanzien van de positie van Nederland op de Europese interne markt, als bij het milieubeleid en het klimaatbeleid.

Niet te defensief handelen

Die activiteiten vinden zelden de weg naar de nieuwsrubrieken van kranten, websites en omroepjournalistiek. Maar ze zijn er wel degelijk. Wel moet daarbij geleerd worden om niet al te defensief te handelen. Als het krachtenveld wijst op Europese regels, kun je daar maar beter op inspelen. Zo kwam er toch een Europese Klimaatwet.