Friese gemeenten huisvestten het afgelopen jaar opnieuw onvoldoende statushouders, Leeuwarden heeft grootste achterstand

Friese gemeenten huisvestten het afgelopen jaar opnieuw onvoldoende statushouders (vluchtelingen met een verblijfsvergunning). Dat blijkt uit een overzicht van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) per 1 juli.

Foto:

Foto: ANP

De achterstand is het grootst in Leeuwarden, daar hadden het afgelopen half jaar 160 mensen woonruimte moeten krijgen, maar dat lukte maar in 57 gevallen. Alleen De Fryske Marren slaagde erin voldoende woonruimte te vinden.

Het rijk bepaalt elk half jaar voor hoeveel statushouders gemeenten voor een huis moeten zorgen. Dat gebeurt naar rato: hoe groter de gemeente, hoe meer vluchtelingen eraan gekoppeld worden. Dit jaar moeten Nederlandse gemeenten voor 24.500 mensen woonruimte vinden, een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar (12.000). Snelle doorstroming vanuit een asielzoekerscentrum (azc) naar een zelfstandige woning helpt statushouders bij de integratie en het opbouwen van een bestaan.

Pandemie

Onder andere corona speelde diverse gemeenten parten, met de pandemie kwamen asielzaken tijdelijk stil te liggen. Ook de achterstanden in het verwerken van de asielaanvragen bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) speelden mee, daardoor kon het COA niet genoeg vluchtelingen koppelen aan gemeenten.

Elf gemeenten begonnen daardoor dit jaar al met een achterstand op de taakstelling. Die achterstand is toegenomen in het afgelopen halfjaar: waar Fryslân in totaal 649 mensen had moeten huisvesten, lukte dat voor 313 mensen niet. Het komende half jaar moeten nog 410 mensen onderdak krijgen in Fryslân. De achterstand van 313 komt daar bovenop.

Voorsprong

De Fryske Marren haalde als enige gemeente de taakstelling. In de afgelopen jaren huisvestte de gemeente meer mensen dan het rijk opdroeg (die voorsprong werd vervolgens van de taakstelling afgetrokken), maar die voorsprong is de gemeente nu kwijt. In Harlingen is de achterstand met zes personen het kleinst.

Lukt het gemeenten niet de achterstand in te halen – en er is geen sprake van overmacht - dan kan de provincie besluiten zelf de taak uit te voeren op kosten van gemeente. Van overmacht is bijvoorbeeld sprake als het COA onvoldoende statushouders koppelt aan de gemeente. Dat was het afgelopen jaar, mede door de achterstanden bij de IND, het geval.

Daarom rekent de provincie, als toezichthouder, de gemeenten dit ook niet aan. In een brief van vorige maand wees de provincie gemeenten er wel op dat statushouders in principe binnen drie maanden na koppeling aan die gemeente woonruimte moeten krijgen, zodat zij kunnen beginnen aan hun integratie.

Die termijn werd niet overal gehaald. Zo wachtte een statushouder die gekoppeld was aan Smallingerland al ruim tien maanden op huisvesting. Ook in andere gemeenten liep die wachttijd op.