Beelden met een luchtje

Een standbeeld van Peter Stuyvesant, een schilderij van de Nassaus met een zwarte page als statussymbool, straatnamen die verwijzen naar legerleiders van de Zuid-Afrikaner Boeren. In het licht van het actuele racismedebat rijst de vraag: kan dat nog wel? In hoeverre kunnen we oordelen over het verleden en hoe moeten we vervolgens omgaan met omstreden historische figuren in Fryslân?

In de eetzaal van het Fletcher Hotel in Leeuwarden, gevestigd in het Stadhouderlijk Hof, hangt een enorm groepsportret met vier leden van de familie Nassau. Er staan ook drie persoonlijke bedienden op, zogeheten pages. Een van hen is een zwarte jongen, prominent in het midden, in felrode dracht.

Ate de Jong, oud-directeur van Tûmba, het kenniscentrum discriminatie en diversiteit, stoort zich al jaren aan het schilderij. ,,It hinget dêr te pronkjen op in prominint plak, mei dy jonge yn in ûnderdienige posysje. Ast sels swart bist en komst dêr om in bakje kofje… Ik fyn it hiel ûngemaklik, ek as wite man, want it skilderij hat foar my in rassistyske lading en rassisme is fansels ek in wyt probleem.”

Het groepsportret, met onder meer Willem Frederik en zijn broer Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz, is een achttiende-eeuwse kopie naar een schilderij van Adriaen Hanneman (1603-1671), vertelt Marlies Stoter, conservator oude kunst bij het Fries Museum, eigenaar van het schilderij.

,,Het oorspronkelijke werk is mogelijk gemaakt in opdracht van Willem Frederik. Op het portret presenteren de Nassaus zich als gelijkwaardig aan de Oranjes, met dezelfde afstamming en dezelfde idealen, namelijk strijden tegen de Spanjaarden.”

Groot aanzien

De zwarte page in het midden benadrukt die status van de Nassaus. ,,Hij is expres zo in de spotlights gezet met zijn rode zijden pak. Het hebben van een zwarte bediende gold in die tijd als een teken van groot aanzien. Hij staat er dus geëtaleerd als statussymbool van zijn werkgever,” legt Stoter uit. ,,Het laat zien: ik als Nassau kan het breed laten hangen.”

Maar wie is deze zwarte page eigenlijk precies? ,,Wij hebben dat niet kunnen traceren”, zegt historicus Barbara Henkes van de Rijksuniversiteit Groningen. Ze werkt met Tresoar, en ook gesteund door het Fries Museum, Historisch Centrum Leeuwarden en Museum Hannemahuis in Harlingen, aan een gids die onderdeel is van het landelijke project Mapping slavery. Voor deze gids die langs plekken in Fryslân gaat die met het slavernijverleden van het Nederlandse koloniale rijk te maken hebben, verdiepte ze zich ook in het groepsportret.

,,We weten dat er in ieder geval meer dan vier zwarte bedienden in loondienst van het Friese Hof zijn geweest. Van een aantal hebben we namen, zoals Jean Rabo en Presto. Maar zij zijn geboren in 1714 en 1743, dus nádat het oorspronkelijke portret is geschilderd.” Het is volgens Henkes goed mogelijk dat er voor die tijd ook al zwarte pages aan het hof zijn geweest, maar dat daar geen gegevens over bewaard zijn gebleven.

Cadeautjes uit kolonieën

Het is echter ook niet uitgesloten dat de zwarte page op het schilderij een fictief figuur is, te meer omdat de compositie voor de rest ook fictief is. Het oorspronkelijke portret zou rond 1660 gemaakt zijn, toen twee van de vier Nassaus al waren overleden. De schilder zou de fictieve page hebben toegevoegd om de status van de Nassaus te benadrukken met wat koloniaal exotisme.

,,Maar we ontdekken steeds vaker dat een vermeend fictief statussymbool op een schilderij toch een waar bestaand persoon blijkt te zijn”, zegt Henkes. Verder kan ze in algemene zin zeggen dat ,,zwarte pages als cadeautjes werden meegesleept uit de koloniën”. Lokale Afrikaanse heersers verkochten dan een jongeman aan koloniale handelaars als cadeau aan bijvoorbeeld een stadhouder, of ze ruilden zo’n jongen voor bepaalde handelswaar. ,,Een kapitein probeerde zo een wit voetje te halen bij de stadhouder.”

,,Als zwarte bediende kwam je dan in een curieuze situatie. Aan een stadhouderlijk hof had je een relatief bevoorrechte plek met een zeker inkomen. Het is dus onvergelijkbaar met slavenarbeid op een plantage. Maar je kwam toch in een afhankelijke positie terecht in een volledig vreemde omgeving, waar je als een soort mascotte en statussymbool rondliep.”

Ook Stoter vindt het portret met de page interessant ingewikkeld. ,,Hij was aan het Hof weliswaar in loondienst, maar dat wil niet zeggen dat ‘ie er zelf voor gekozen heeft om hierheen te komen.” En of de bediende nu echt bestaan heeft of fictief was, ,,een zwarte page gebruiken als statussymbool… Dat is wel iets om stevig achter je oren te krabben in de huidige discussie over al dan niet verhuld racisme. Ik kan me voorstellen dat er bezoekers zijn die zich er ongemakkelijk bij voelen en zich eraan ergeren.”

Controversieel

Stoter wijst erop dat het schildersdoek is ingebouwd in de wand en dus niet zomaar verplaatst kan worden. Bovendien valt het gebouw onder de Monumentenwet, dus het portret mag niet eens verwijderd worden, of er zou nadrukkelijk toestemming voor verkregen moeten worden.

Ate de Jong zou het liefst zien dat het schilderij ,,ferdwynt nei de tsjusterste kelder fan it Stedhâlderlik Hôf”, te meer daar Fletcher het portret volgens hem presenteert als een pronkstuk.

Los van de praktische bezwaren vindt Stoter dat wat ver gaan, want ,,weghalen van het schilderij zou er ook aan bijdragen dat de aanwezigheid in voorbije eeuwen van mensen met een andere huidskleur in de Nederlanden nog meer wordt weggestopt.”

Liever zou ze zien dat er nader onderzoek komt naar de pages. ,,Voor zover ik kan overzien, is dat nog niet uitputtend gebeurd”, aldus Stoter. Dat zou wel een goede zaak zijn om meer context bij het schilderij te kunnen geven. Ze ziet er een mooi scriptieonderwerp in. ,,Hoe is de zwarte jongen in Europa beland, hoe zou hij zich gevoeld hebben aan dat verder witte Hof, hoe werd hij behandeld vergeleken met witte pages? Antwoorden op zulke vragen zouden deel moeten gaan uitmaken van het schilderij, ter plaatse en in onze database.”

Henkes voelt minder voor informatiebordjes. ,,Kijk, die hele zaal is toch al enorm over de top. Het is een soort spel om daar te gaan dineren; je zit er toch met z’n allen een beetje een toneelstuk op te voeren tussen al die deftigheid. Een informatiebordje valt in het niet. Ik vind dat je beeld, in dit geval dus een schilderij, het beste kunt bevragen door er een ander beeld tegenover te stellen.”


Een beeld van Willem de Vlamingh, op Vlieland. Foto: Wiki Commons.

Dat is precies wat Arnold Helmantel van Tûmba hoopt te gaan doen. ,,Ik heb plannen voor een project over bewustwording rond het koloniale verleden. Het schilderij is een van de plekken waar ik een kleine locatievoorstelling zou willen houden.” Klassen zouden op bezoek kunnen komen om de voorstelling te bekijken, om zo in gesprek te raken over omstreden bladzijdes uit de geschiedenis. Of het project doorgaat, hangt af van nog lopende subsidieaanvragen.

Peter Stuyvesant

Een evidenter problematisch geval lijkt Peter Stuyvesant, die in 1612 als domineeszoon werd geboren in Peperga. Hij trad in dienst van de West-Indische Compagnie en werd in 1642 directeur op Curaçao. Er zouden in die tijd enkele tientallen tot slaaf gemaakten hebben gewerkt in de tuinen van de Compagnie om personeel van voedsel te voorzien.

Van 1646 tot 1665 was Stuyvesant in Nieuw-Amsterdam, het latere New York, directeur-generaal van de kolonie Nieuw-Nederland. Hij liet slaafgemaakte Afrikanen overkomen via Curaçao en direct uit Afrika. Persoonlijk bezat hij zo’n veertig mensen die tot slaaf waren gemaakt. Daarmee was hij de grootste slavenbezitter in de Nieuw-Nederlandse kolonie. Bovendien stuurde hij militaire acties aan tegen de oorspronkelijke bewoners van Amerika. Hij stond bekend als een meedogenloos bestuurder die ook nog eens antisemiet was.

Een naar Stuyvesant vernoemde school op Curaçao veranderde in 2011 al van naam, maar in Wolvega staat zijn bronzen standbeeld (1955) nog fier overeind, overigens net als bij het West-Indisch Huis in Amsterdam.

In zijn geboortedorp verwijst een monument (1989) van een schip naar Peperga’s beroemdste zoon. En in Scherpenzeel staat een enorme zuil met daarbovenop een bronzen schip, en halverwege de zuil een reliëfportret van Stuyvesant. Het werd tegelijk met het Wolvegaaster monument (coverfoto) onthuld in 1955 (toen ook de Pieter Stuyvesantweg werd geopend, de N351 van Wolvega naar Emmeloord).

,,Dat schilderij van de Nassau’s is van oorsprong zeventiende-eeuws”, vertelt Barbara Henkes. ,,Deze monumenten voor Stuyvesant stammen uit de jaren vijftig en tachtig. Toen waren de inzichten toch al wat voortgeschreden, mag ik hopen. Dus hier moet nodig ook het andere verhaal verteld worden.”

Ze geeft er opnieuw de voorkeur aan om het beeld met ander beeld te contrasteren. ,,Zet iets anders op de sokkels. Laat eigentijdse antislavernijmonumenten maken voor op de sokkels en leg Stuyvesant en z’n WIC-schip ernaast op de grond. Bedenk iets creatiefs, dat kan op vele manieren.”

De Vlamingh en Tasman

Maar hoe ver moet het morele oordelen over de geschiedenis gaan? Stuyvesant is niet de enige van Friese afkomst die bij de WIC of de VOC terechtkwam. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Willem de Vlamingh, in 1640 geboren op Vlieland. Bij de kade in Oost-Vlieland prijkt zijn standbeeld en ook een veerboot van rederij Doeksen is naar hem vernoemd.

De Vlamingh was betrokken bij de walvisvaart en trad in 1688 in dienst van de VOC. Voor die compagnie bracht hij onder meer de kust van westelijk Australië in kaart. Daarvoor wordt hij in Perth, Australië, nog steeds geëerd met een monumentale zonnewijzer.


Dit monument van een schip verwijst naar Peperga’s beroemdste zoon. Foto: Wiki Commons

De man zelf lijkt niet persoonlijk bij slavenhandel betrokken te zijn geweest, maar hij voer wel voor een compagnie die daarin een centrale rol speelde. Is De Vlamingh daarmee automatisch ook ‘besmet’; en waar houdt zulk oordelen over de historie dan op? ,,As wy alle monuminten delhelje moatte fan minsken mei in smet, dan bliuwt der net folle mear oerein stean”, erkent ook Ate de Jong. ,,Dat liket my gjin goed idee. Mar it is wol tiid om yn sokke gefallen iepen sjen te litten: dit wie net allinnich mar in held.”

Positief imago

Een verrassend positief imago heeft nog steeds de in Lutjegast geboren ontdekkingsreiziger Abel Tasman (1603-1659) . Hij trad in dienst van de VOC en ‘ontdekte’ als eerste Europeaan de eilanden Tasmanië en Nieuw-Zeeland. Tasman ontmoette ook de inheemse bevolking, de Maori. Zij interpreteerden het Nederlandse blazen van een trompet als een oorlogsverklaring, waarna ze in een aanval vier van Tasmans bemanningsleden doodden.

‘Wij (…) schoten, toen wij dit zagen gebeuren, zoveel we konden met onze musketten en kanonnen’, schreef Tasman in zijn journaal. Hoeveel Maori daarbij omkwamen, en of er verderop tijdens de reis nog meer fatale confrontaties zijn geweest, meldt het journaal niet Tasmans missie verliep dus duidelijk niet geweldloos. ,,En wat kwamen ze daar überhaupt doen? Ze kwamen ongevraagd, en met kanonnen. Er is geen sprake van een gelijkwaardige relatie tussen de VOC en de Maori”, zegt Henkes.

Niettemin onderhouden het Abel Tasmanmuseum in Lutjegast en de gemeente Westerkwartier nog steeds warme banden met niet alleen bestuurders uit Tasmanië en Nieuw-Zeeland, maar ook met hun inheemse Maori-bevolking.

Nazaten van de stam die het in 1642 met Tasman en zijn bemanning aan de stok kregen, schonken het museum onlangs houtsnijwerk en een jadesteen die ze spirituele krachten toedichten. Over en weer zijn bezoeken gebracht en blijvende contacten gelegd.

Koloniale straatnamen

Maar wat te denken van al die straatnamen die verwijzen naar historische figuren waar velen intussen niet meer zo trots op zijn? In de Leeuwarder Transvaalwijk bijvoorbeeld – de naam doet al wat vermoeden, vinden we verschillende straten die zijn vernoemd naar prominente witte kolonisten in Zuid-Afrika, de zogeheten Boeren, ten tijde van de Anglo-Boerenoorlogen.

Het gaat om Paul Kruger, president van Transvaal (1883-1900) ; Piet Joubert, opperbevelhebber van het leger van Transvaal; Schalk Willem Burger, militair en waarnemend president van Transvaal; en Herman Coster, staatsprocureur van Transvaal; Marthinus Theunis Steijn, president van de Oranje Vrijstaat (1896-1902); Piet Cronjé, Boerengeneraal in beide Anglo-Boerenoorlogen en Koos de la Rey, in de Tweede Boerenoorlog.

Zij waren leidersfiguren in Transvaal en de Oranje Vrijstaat, witte kolonies waar de inheemse zwarte bevolking systematisch werd onderdrukt en ook juridisch als minderwaardig werd beschouwd. Het is onwaarschijnlijk dat nieuwe straten nog genoemd zouden worden naar de voormannen van zulke misdaadregimes.

Straatnamen hernoemen

Maar moeten bestaande straatnamen alsnog hernoemd worden? Het is een dilemma, vindt Arnold Helmantel. ,,Als je de straatnaam verandert, verdwijnt ook de verwijzing naar de geschiedenis en de minder fraaie kanten daarvan. Maar een vernoeming in een straatnaam is toch ook een soort eerbetoon. Dus als je de naam intact laat, zou ik ten minste pleiten voor een informatiebordje om context over die minder fraaie kant mee te kunnen geven.”

Bij antidiscriminatiecentrum Tûmba hopen ze dat de maatschappelijke discussie doorzet en tot blijvende verandering zal leiden, ook in de omgang met het verleden, aldus Helmantel. ,,Je komt er niet meer mee weg door te zeggen: de tijden zijn veranderd en we moeten niet oordelen met de morele maatstaven van nu. Want er waren tijdens de slavernij en het kolonialisme óók al mensen die riepen dat het een schande was. Sommige verlichte geesten en de slaafgemaakten zelf natuurlijk, vonden dat toen ook al, maar hun stem werd nooit gehoord. Dat is nu eindelijk aan het veranderen.”

Nieuws

menu