Eerherstel voor het heidevolk in 'Al mijn moeders' van Anita Terpstra: 'De Harkema krige in traap nei, mar hat applaus fertsjinne'

Kijk ’ns naar Harkema. Er zijn grote bedrijven, winkels, mooie huizen én het heeft de beste amateurvoetbalclub van Fryslân. En dat in het dorp, ontsprongen uit diepe armoede, dat volgens sociologen in de jaren vijftig maar beter kon verdwijnen. ,,Se krigen in traap nei, wylst se applaus fertsjinnen.”

Anita Terpstra zit, in de Spitkeet in Harkema, in een zogenoemd kippenhok: kleine onderkomens waar jonge stellen na de Tweede Wereldoorlog woonden. De woningnood was hoog en dus werden deze 'pikehokken' gebouwd, vaak in de tuin van één van de ouders.

Anita Terpstra zit, in de Spitkeet in Harkema, in een zogenoemd kippenhok: kleine onderkomens waar jonge stellen na de Tweede Wereldoorlog woonden. De woningnood was hoog en dus werden deze 'pikehokken' gebouwd, vaak in de tuin van één van de ouders. Foto: Jilmer Postma

Op het armenkerkhof bij museum De Spitkeet kwam het verleden wel heel dichtbij voor schrijfster Anita Terpstra uit Leeuwarden. Daar lag familie. Heel ver weg en van lang geleden. Maar toch. Daar had familie gestaan om een dierbare naar het graf te brengen. Geld voor een steen was er niet. Niet eens voor een kist. Vaak zal het een kind zijn geweest. De kindersterfte was hoog onder de heidebewoners. De kou, het vocht en het gebrek aan goede voeding maakten de levensverwachting laag.

Nieuws

menu