De persoonlijke zoektocht van schrijver Flip van Doorn naar de Friese identiteit

In elf reizen gaat Flip van Doorn op pad door de geschiedenis van Fryslân en de Friezen, van Warns tot Dokkum, van de Halligen tot Rome. Tegelijk is het boek De Friezen de persoonlijke zoektocht van een kwart-Fries naar zijn wortels en de betekenis daarvan. ,,Fryslân is veel diverser dan mensen elders in Nederland denken.”

,, Myn pake wie in Fries ”, vertelt reisschrijver en journalist Flip van Doorn graag als het over zijn Friese roots gaat. De Dokkumer onderwijzer van opleiding kon in de crisisjaren niet dichter bij huis dan in Heerlen een baan als schoolmeester krijgen. Met het Dokkumer Lokaeltsje ging hij op weg.

In een van de hoofdstukken in zijn nieuwe boek De Friezen maakt kleinzoon Flip van Doorn vanuit Leeuwarden de reis in omgekeerde richting. Het Lokaeltsje boemelt al lang niet meer, maar op delen van het traject ligt een fietspad. In Noordoost-Fryslân zoekt Van Doorn de dorpen van zijn voorouders op, de kerkjes waar ze gedoopt werden en huwelijken sloten.

Maar zijn opa vertrok naar Zuid-Limburg en leerde er Van Doorns grootmoeder kennen. ‘Daaruit vloeit de paradox voort dat ik een Fries zou zijn geweest wanneer hij was gebleven’, mijmert de schrijver, ‘maar nooit zou hebben bestaan als hij niet was gegaan.’ Dat tekent Van Doorns dubbelzinnige verhouding tot Fryslân – een beetje buitenstaander en een beetje insider tegelijk.

De lange ervaring met dat wonen op terpen werkt nu nog door: het samen moeten rooien in een kleine, op zichzelf gerichte gemeenschap

Opgegroeid in het Gooi kwam hij elf jaar geleden met zijn gezin in IJlst wonen, eigenlijk vooral vanwege de betaalbaarheid van de huizen. De verhuizing ervoer hij ‘als een soort remigratie’, hoewel hij naast verwantschap ook vervreemding voelde.

,,Ik kende Fryslân van de paar tripjes die ik met m’n opa had gemaakt, maar ook door schoonfamilie die er al woonde. Kijk, voor randstedelingen is het Noorden heel ver weg. Ze hebben het beeld dat Fryslân een homogeen geheel is van dé Friezen die hét Fries spreken. Maar toen we hier kwamen wonen, begon ik langzaam maar zeker te zien hoeveel verschillen er binnen Fryslân en tussen de Friezen zijn.”Het was Van Doorn al snel duidelijk dat hij als schrijver iets wilde met dat land, die mensen, hun verleden en zijn persoonlijke verhouding daarmee. ,,Door m’n achtergrond kon ik in het boek enerzijds de blik van binnenuit geven en anderzijds de randstedelijke blik. Daardoor is het boek denk ik interessant voor de Friezen zelf, maar zeker ook voor andere Nederlanders.”

Door ruimte en tijd

In de elf reizen koppelt Van Doorn het verleden aan de plekken die hij aandoet. Het zijn reizen door de ruimte en in de tijd tegelijk. ,,Je kunt nooit heel Fryslân en de complete geschiedenis laten zien. Maar de routes zijn zo gekozen dat ze alles bij elkaar een heleboel aspecten van de Friezen en hun historie aan het licht brengen.”

Zo laat Van Doorn in staten en stinzen de tijden van de Friese hoofdelingen herleven, in de veenontginningsdorpen schetst hij de armoede en de opkomst van het socialisme en hij gaat in Amsterdam en de Zuiderzeestadjes op zoek naar oude handelsroutes – om maar een willekeurige greep uit zijn ruimte- en tijdreizen te geven.


Warnsbetinking.

Sporen van de Friese geschiedenis vindt Van Doorn overigens tot ver buiten de huidige provincie. Zo bezoekt hij de Noordfriese Halligen, voor de Noord-Duitse Waddenkust, om te begrijpen hoe Fryslân er vóór de dijkenbouw moet hebben uitgezien. Op de kweldereilandjes is de bewoning gecontrentreerd op hoge wierden, terwijl het omliggende kwelderland bij stormweer overstroomt. ,,De mensen leven daar in sommige opzichten nog zoals de Friezen hier duizend jaar geleden, met het ritme van de getijden en de seizoenen. Ik wil ontzettend voorzichtig zijn met termen als ‘volksaard’, maar ik heb toch het idee dat de eeuwenlange ervaring met dat wonen op terpen nog doorwerkt in de Friezen van vandaag: het samen moeten rooien in een kleine, op zichzelf gerichte gemeenschap. Dat zie je hier in kleine dorpen denk ik nog steeds.”

De dijkenbouw maakte grote stukken kwelderland geschikt voor landbouw en veilig voor bewoning, maar Van Doorn ontdekte ook een keerzijde. ,,Op Langene, de hallig waar ik verbleef, vonden ze de Waddendijk van het vasteland eigenlijk te hóóg. Een dijk is statisch, maar de zee is dynamisch. Door die massieve Waddendijk komt het water rond de Halligen bij westerstorm juist extra hoog te staan, omdat het niet weg kan.”

De dijk is een poging de natuur in bedwang te houden, maar ‘hoe nadrukkelijker de Friezen proberen controle over de natuur te krijgen, hoe meer ze hun eigen plek in die natuur ondergraven’, schrijft Van Doorn. ,,Op de korte termijn bieden dijken veiligheid, maar nu zie je dat de bodem áchter de dijken aan het dalen is. We willen de getijdenwerking buiten de deur houden, terwijl getijden ook voor opslibbing zorgen. Dus ik denk dat Fryslân iets kan leren van de manier waarop ze op de Halligen juist met die getijden meebewegen.”

Reislustige types

Naast honkvaste terpbewoners trof Van Doorn in de Friese geschiedenis ook een boel ondernemende en reislustige types. ,,De Friese zeevaarders die in de vroege middeleeuwen overal rond de Noordzee handel dreven, anderen gingen mee op kruistocht of hielpen de Moren verdrijven uit Spanje. En meer recent had je de grootschalige emigratie van Friezen naar onder meer Amerika.”

Naar het Zwitserse St. Maurice reist Van Doorn middeleeuwse Friese pelgrims achterna die er de heilige Mauritius dankten voor hun veilige oversteek door de Alpen en later na terugkeer in IJlst een kerk bouwden die tot op de dag van vandaag de Mauritiuskerk heet. In Rome bezoekt Van Doorn de Friezenkerk, waar onder een glasplaat nog negende-eeuwse fundamenten te zien zijn. ,,Feiten en mythen zijn hier moeilijk te onderscheiden, maar een feit is in ieder geval dat Friezen geholpen hebben om de Sint-Pieter in 845 te verdedigen tegen plunderingen van de Saracenen.” Net als veel andere volkeren hadden de Friezen een eigen kerk in Rome. Dat ze die van de Heilige Roomse keizer kregen als dank voor hun strijd tegen de Saracenen, lijkt mythevorming van later datum.

,,Hoe dan ook, al vanaf Karel de Grote proberen de keizers meer greep te krijgen op Frisia, maar dat wilde niet echt lukken.” Het kustgebied waar de Friezen woonden, van pakweg Zeeuws-Vlaanderen tot aan de rivier de Weser in Duitsland, was slecht toegankelijk en moeilijk te onderwerpen.

Autonome gebiedjes

Waar elders een hiërarchie ontstond van leenheren en leenmannen, bleef Frisia een lappendeken van in feite autonome gebiedjes. ,,Daar lag de oorsprong van wat de Friese Vrijheid is gaan heten”, zegt Van Doorn. Het bleek een aansprekend begrip. Hij reist naar Zwitserland, waar de relatief zelfstandige kantons in het idee van de Friese Vrijheid eeuwen geleden inspiratie vonden voor de confederale staatsinrichting die het land tot de dag van vandaag hooghoudt.

Hoewel aan de Friese Vrijheid al meer dan vijf eeuwen geleden een einde kwam, heeft het begrip in Fryslân tot op de dag van vandaag nauwelijks aan aantrekkingskracht ingeboet, zo merkt Van Doorn tijdens een herdenking van de Slach by Warns. ,,Het thema was ‘iepen mienskip’ en er werd oprecht een boodschap van inclusiviteit uitgedragen. En tegelijk… ik heb me nog nooit zo niet-Fries gevoeld als daar tijdens die plechtigheid. Ondanks de goede bedoelingen was het zo naar binnen gericht dat ik me een buitenstaander voelde en dacht: dit speelt zich buiten mij om af, hier maak ik geen deel van uit.”


Ingang van de Friezenkerk in Rome.

Fryslân is Van Doorns thuis geworden, al is hij zich niet in alle opzichten helemaal een met de Friezen gaan voelen. ,,Dat zit vooral in de taal. Voor mij als herintredend Fries is het echt moeilijk om het Fries volledig onder de knie te krijgen. De uitspraak is prachtig, maar ingewikkeld”, merkte hij ook tijdens de Afûk-cursus. ,,En je kunt het niet snel goed doen”, gniffelt Van Doorn. ,,Mensen spreken je vaak op je uitspraak aan als het niet helemaal klopt – met de beste bedoelingen, maar dat schrikt soms wel wat af.”

Fries leren hoort erbij

Dat hij het Fries prima kan verstaan, is een pre in de sociale omgang, heeft Van Doorn gemerkt. ,,Mensen stellen zich welwillender op als ik in gezelschap aangeef dat ze rustig door kunnen gaan met Fries spreken. Als je als Nederlander van buiten blijft vragen dat de anderen zich maar moeten aanpassen… ik snap ook wel dat Friezen dat vervelend vinden. Het is goed om wederzijds open te staan voor elkaar. En Fries leren verstaan hoort daarbij. Het is tenslotte geen San-skriet.”

Een Fries moet je kunnen wórden, stelt Van Doorn. ,,Je hoeft er niet je wortels te hebben, want identiteit is iets wat je je eigen kunt maken. Ik voel me Fries niet door m’n afkomst die ik nu eenmaal heb meegekregen, maar door de tóékomst die ik hier in Fryslân zelf kies. Zo Diepfries als iemand die hier is opgegroeid, zal ik niet worden, maar dat hoeft ook niet.”


Dokkumer Lokaaltje, station Marrum-Westernijkerk.

Hij wenst de Friezen toe dat ze ,,de taal als een kostbare schat doorgeven aan hun kinderen. En tegelijk is het goed om over de dijken heen te kijken en invloeden van buiten niet bij voorbaat af te wijzen. Zoals Nynke Laverman met haar fado’s het Fries over grenzen heen tilt de wereld in… Taal en cultuur worden groter als je ze deelt en ermee naar buiten treedt, in plaats van te proberen ze in de verzakkende polder droog te houden”.

Zijn eigen ontdekkingsreis door Fryslân gaat nog wel even door, zegt Van Doorn. ,,De literatuur, het kaatsen, de Friese paarden… er is nog zo veel. Ik ben eigenlijk pas begonnen.”

Nieuws

Meest gelezen