'De parken en tuinen van Roodbaard verdienen voortdurende aandacht als cultureel erfgoed'

Tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard legde in de eerste helft van de negentiende eeuw menig park, landgoed of stadstuin aan. Nog altijd zijn er tientallen bewaard gebleven. Rita Radetzky promoveerde eerder dit jaar op jarenlang onderzoek naar Roodbaard en zijn erfenis. Onlangs verscheen een publieksuitgave van haar dissertatie.

De Overtuin van Lyndenstein in Beetsterzwaag, ontworpen en aangelegd door Lucas Pieters Roodbaard in 1825 en 1837.

De Overtuin van Lyndenstein in Beetsterzwaag, ontworpen en aangelegd door Lucas Pieters Roodbaard in 1825 en 1837. Foto: Jilmer Postma

Sinds in 1795 het eerste slingerbosje in Engelse stijl in Fryslân werd aangelegd, bij Friesmastate in Idaerd, zou de nieuwe rage van romantische tuinontwerpen snel om zich heen grijpen onder adellijken, patriciërs, grietmannen en gemeentelijke overheden.

Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851) had een beginnende carrière als kunstschilder toen hij in 1819 de overstap maakte naar het vak dat hij in zijn tienerjaren in het bedrijf van zijn vader geleerd had: tuinontwerper/hovenier. In 1824 vestigde hij zich in Leeuwarden en noemde zich sindsdien ‘architect van buitengoederen’.

Via-via kreeg hij steeds meer opdrachten. Radetzky toont aan dat zijn reputatie klaarblijkelijk door mond-tot-mondreclame groeide, want nieuwe opdrachtgevers kwamen vaak uit het netwerk van eerdere opdrachtgevers.

Groene wandelingen

De twee typen tuinen die Roodbaards oeuvre kenmerken zijn de ‘groene wandelingen’ (wandelparken) in steden en de tuinen bij buitens van particulieren op het platteland. De Prinsentuin in Leeuwarden of de Engelse Tuin in Harlingen zijn voorbeelden van het eerste type, de tuin van Staniastate in Oentsjerk en de Overtuin van Lyndenstein in Beetsterzwaag van het tweede.

Maar de lijst is veel langer: Van Borniastate in Weidum (zijn eerste project in Fryslân in 1819), de tuin achter het Catshuis aan de Nieuwestad in Leeuwarden, De Klinze in Aldtsjerk, De Nieuwe Aanleg in Wolvega tot de (inmiddels gerooide) tuin achter het Paleis van Justitie in Leeuwarden (1851), waarvan hij de voltooiing niet meer meemaakte.

Kenmerkend voor zijn landschapsstijl, uit Engeland overgewaaid en in Nederland in zwang vanaf 1770, zijn de romantische elementen. Hij paste meanderende wandelpaden toe, speels gevormde waterpartijen, verhogingen en zichtlijnen. Hierdoor ontstaat het optische effect dat de tuin of het park veel groter lijkt dan in werkelijkheid. Verschillende kleuren loof- en naaldbomen, spiegeleffecten in het water en tuinsieraden als kettingbruggetjes, prieeltjes, bankjes, stenen tafels en grotten zorgen voor een schilderachtig decor, zoals verbeeld op talrijke ansichtkaarten tekeningen en schilderijen.

Radetzky schrijft haar historisch-wetenschappelijke bevindingen in toegankelijke, vlot leesbare stijl op. Mooi zijn de uitgebreide en rijk geïllustreerde beschrijvingen en analyses van dertien van Roodbaards tuinen en parken, onder meer Lyndenstein in Beetsterzwaag, Staniastate in Oentsjerk, Voormeer in Heerenveen en Roptastate in Wijnaldum. Foto’s tonen dat bewaard gebleven parken en tuinen in dik anderhalve eeuw zijn uitgegroeid tot landschapsiconen van natuurschoon en rust.

Toeschrijven

Er zijn 84 Roodbaard-ontwerpen bekend, waarvan 66 in Fryslân. Niet allemaal bestaan ze nog; daarvan zijn bijvoorbeeld alleen de ontwerptekeningen bewaard gebleven. Radetzky heeft na onderzoek tuinen kunnen toeschrijven aan Roodbaard waarvan tot nog toe niet zeker was wie ze heeft ontworpen of aangelegd had. Hiertoe ging ze het netwerk na van de toenmalige eigenaar/opdrachtgever en determineerde ze karakteristieke kenmerken van Roodbaards signature style , zoals bepaalde tuinsieraden, eendenkommen of plantsoorten. Zo schrijft zij onder andere de tuin van de Schierstins in Feanwâlden aan Roodbaard toe, de aanleg bij slot Boelens in Olterterp (de voorganger van huize Olterterp), en Dekemastate in Weidum.

Andersom herziet zij ook toeschrijvingen omdat ze geen harde bewijzen heeft kunnen vinden. De tuin van Martenastate in Franeker is in 1834 weliswaar in de Engelse landschapsstijl aangelegd, maar de naam Roodbaard is er pas in 1940 aan verbonden en er zijn geen tekeningen of rekeningen meer.

Tekeningen en rekeningen

In totaal zijn 39 tekeningen bewaard gebleven, plus achttien ontwerpschetsen, zes opmetingstekeningen en vier kopieën van verloren gegane tekeningen. Ook veel rekeningen zijn bewaard gebleven. Voor de aanleg van de Prinsentuin kreeg hij in 1821 bijvoorbeeld 428 gulden. Tien jaar later betaalde Leeuwarden voor de aanleg van de Algemene Begraafplaats 1428 gulden. Roodbaard werd daar uiteindelijk in 1851 begraven.

Radetzky onderzocht de plaats van Roodbaard in de negentiende-eeuwse tuinarchitectuur in binnen- en buitenland, en of zijn status bij leven die van regionale, Noord-Nederlandse tuinarchitect oversteeg. Hij had in Fryslân tussen 1820 en 1850 vrijwel het monopolie. Opdrachtgevers kwamen vaak uit de (familie)kring van landgoedeigenaren waar hij de tuin aanlegde. Zijn stijl was populair en blijkbaar was men tevreden over zijn werk. Roodbaard leidde geen opvolger op, maar was wel inspiratiebron voor latere hoveniers en tuinontwerpers, zoals Gerrit Vlaskamp (1834-1906).

Zo is Roodbaards stempel op de Nederlandse tuingeschiedenis, en in het bijzonder in Noord-Nederland, overduidelijk. Zijn parken en tuinen verdienen voortdurende aandacht als cultureel erfgoed, concludeert Radetzky. Zo is het maar net: veel van zijn werk is alweer verdwenen. Bijvoorbeeld Uniastate bij Marsum en Veldzicht bij Leeuwarden, romantische landschapstuinen die met de grond gelijk zijn gemaakt en veranderd zijn in raaigrasplantages. Radetzsky richt met haar onderzoek een monument op voor verdwenen en bewaard werk van Roodbaard, en draagt ertoe bij dat dat gekoesterd wordt.

Tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851) en de landschapsstijl. Rita Radetzky. Uitgeverij Noordboek. 450 pagina’s. 49,90 euro