De scheepsdokter uit Heeg kreeg een ‘slavenbonus’, al stierven er tientallen op de overtocht

Scheepschirurgijn Petrus Couperus hield in 1762 een journaal bij van een trans-Atlantische reis met 319 opeengepakte slaafgemaakten aan boord. Hij moest ervoor zorgen dat ze levend aankwamen in Zuid-Amerika.

Schilderij van Engel Hoogerheyden (1740-1807), snauwschepen bij Middelburg

Schilderij van Engel Hoogerheyden (1740-1807), snauwschepen bij Middelburg

Op de plaats van de huidige Haghakerk in Heeg stond vroeger de Christophoruskerk. In 1724 werd daar Petrus Henricus Couperus gedoopt door zijn vader, de hervormde predikant van die kerk. Petrus kwam uit een predikantenfamilie, maar hij werd zelf scheepsdokter, of ‘chirurgijn’, zoals dat toen heette.

Hij kwam te werken in een ziekenhuis in Zeeland. Daar werd hij gerekruteerd door de VOC-Kamer Zeeland om in 1750 mee te varen op het VOC-schip Saamslag. Toen hij terugkeerde uit Oost-Indië werkte Couperus als chirurgijn in Zeeland tot hij in 1758 opnieuw aanmonsterde. Dit keer op een schip van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC), een Nederlandse handelsonderneming die zich in die jaren richtte op de trans-Atlantische slavenhandel.

Driehoekshandel

In totaal voer Couperus tot 1768 op vijf MCC-schepen, die allemaal de zogenaamde driehoekshandel dreven: vanuit Nederland werden goederen meegenomen die in Afrika geruild werden tegen slaafgemaakten. Vervolgens werden deze mensen over de Atlantische Oceaan vervoerd en in Zuid- en Midden-Amerika verkocht, waarna er weer koloniale producten werden ingeladen om in de Republiek te verhandelen.

Couperus is bekend geworden doordat zijn chirurgijnsjournaal uit 1762 het oudst bewaard gebleven document is waarin uitvoerig verslag wordt gedaan van de gang van zaken. Hij hield het bij op zijn derde trans-Atlantische tocht, op het zeilschip d’Eenigheid. Als chirurgijn was hij verantwoordelijk voor het keuren van slaafgemaakten, het toezien op de kwaliteit van het voedsel aan boord en de algehele gezondheid van de bemanning en de ‘vracht’. In zijn journaal schrijft Couperus over de omstandigheden aan boord en over de zieke bemanningsleden en slaafgemaakten. Het is te lezen op de website van het Zeeuws Archief.

Overboord gesprongen

Vanaf december 1761 werden op verschillende plekken langs de West-Afrikaanse kust in totaal 326 slaafgemaakten aan boord gebracht. Eer d’Eenigheid op 8 mei 1762 koers zette richting Zuid-Amerika, waren er al zeven slaafgemaakten verdronken of anderszins overleden – een drietal was overboord gesprongen, wellicht in een ontsnappingspoging dicht bij de kust. Onderweg stierven nog eens 24 van de 319 slaafgemaakten aan boord.

Uit Couperus’ journaal blijkt dat de redenen voor het overlijden uiteenliepen. Zo stierf ‘een jonge mansslaaf’ aan ‘een teeringachtige koorts’, terwijl anderen weigerden te eten of erin slaagden overboord te springen.

Hoewel er al tientallen jaren slaafgemaakten verscheept werden, was er weinig kennis over de tropische infectieziekten zoals gele koorts en malaria die slaafgemaakten met zich meedroegen en bemanningsleden opliepen. Andersom werden de Afrikaanse slaafgemaakten besmet met Europese ziekten. Aan boord verspreidden deze ziekten zich razendsnel, mede doordat de slaafgemaakten op elkaar gedrukt zaten en weinig frisse lucht kregen.

In 1769 publiceerde de Zeeuwse scheepschirurgijn D.H. Gallandat het pamflet Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaren met een pleidooi voor betere omstandigheden op de schepen om dodelijke ziektes te voorkomen: betere toegang tot frisse lucht, meer reinheid van het schip en de verstrekking van schoon water en vers voedsel.

Een soort winstbonus

Couperus was toen al teruggekeerd van zijn laatste reis op een slavenschip. Na afloop van zijn reizen werd zijn vaste maandinkomen aangevuld met een ‘slavenbonus’ per verkochte Afrikaan en ‘recognitiegeld’, een soort van winstbonus.

In totaal verdiende Couperus voor zijn achttien maanden durende reis op d’Eenigheid 1310,53 gulden. Ervan uitgaande dat dat een gemiddelde was, verdiende hij met zijn trans-Atlantische reizen in totaal zo’n 6.552 gulden – omgerekend naar de huidige koopkracht zo’n 69.000 euro.


Barbara Henkes is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van het onlangs verschenen boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân. Hasse Aartsen volgt de Onderzoeksmaster Moderne Geschiedenis en Internationale Betrekkingen aan de RuG. In een serie artikelen besteedt het Friesch Dagblad wekelijks aandacht aan kolonialisme en slavernij in het Friese verleden en wat daar vandaag nog van terug te zien is.