Echt zo’n hyperbool van Maarten van Rossem

Na dertig jaar weer in de examenbanken aanschuiven levert ouderwetse zenuwen op. Vrijdag was het eindexamen vwo Nederlands. Lastiger dan je denkt: teksten begrijpen is nog wat anders dan teksten ontleden.

Zesdeklassers zitten op de ijshockeyvloer van de Elfstedenhal klaar voor het vwo-examen Nederlands.

Zesdeklassers zitten op de ijshockeyvloer van de Elfstedenhal klaar voor het vwo-examen Nederlands. Foto: Marchje Andringa

Wie had dat gedacht? Bekroop me toch dat zeurderige gevoel in mijn maagstreek: examenzenuwen. Ik had de stof uit de Examenbundel van uitgeverij Thieme/Meulenhoff doorgenomen en toen vloog het me toch even aan. Al die technische termen voor stijlmiddelen, signaalwoorden, tekstsoorten, functiewoorden, verschillende soorten argumenten en wat dies meer zij, die ging ik nooit meer op tijd in mijn hoofd krijgen.

Als journalist maak ik elke dag teksten die helder, ondubbelzinnig en vlot leesbaar moeten zijn, die bovendien een logische opbouw en een duidelijke pointe moeten hebben. Teksten begrijpen doe ik wel, tot en met dikke begrotingen vol ambtenarentaal, maar het correct benoemen van alle tekstkenmerken en bijbehorende signaalwoorden van een betoog is toch andere koek. Is een zin bedoeld als tegenwerping of als toegeving? En wat is het verschil tussen een toegeving, een afweging en een nuancering? Waar ligt de grens tussen conclusie en gevolgtrekking? Hoe onderscheid je een uitwerking en een verklaring van elkaar? Dat zijn aspecten waar je eigenlijk nooit bij stilstaat, niet als lezer en eigenlijk ook niet als broodschrijver.

Ik kan me ook niet herinneren dat je al die dingen ook moest weten ‘in mijn tijd’, op de kop af dertig jaar geleden. Toen hadden we twee examens Nederlands van drie uur: een samenvatting van een gegeven tekst maken en een opstel schrijven. Tegenwoordig moet in drie uur een aantal teksten ontleed worden. Bij het examen word je op twee onderdelen getoetst: leesvaardigheid en argumentatieve vaardigheden, met name analyse en beoordeling van een betoog.

Een typisch examensfeertje

Bij het betreden van de examenzaal van csg Comenius in Leeuwarden, bij gelegenheid de ijshockeyvloer van de Elfstedenhal, word je meteen ondergedompeld in dat examensfeertje. Zesdeklassers die gedempt bespreken wat ze allemaal wel en niet geleerd hebben, of ze het zien zitten of niet, en altijd wel een paar gasten die net iets té ontspannen en laconiek doen, wat de zenuwen bij anderen alleen maar vergroot.

Zelf kan ik niet stilstaan of -zitten van de zenuwen. ,,Ach, ik schaam me nergens voor hoor”, beweer ik stoer tegen examencoördinator Matthijs van der Steege. ,,Een jaar of tien geleden heb ik wiskunde gedaan en had ik een 2,3. Dat heb ik toen ook gewoon in de krant gezet.”

Boer met kiespijn. Bij wiskunde kun je hoegenaamd geen modderfiguur slaan en dat is ook geen prestigekwestie voor iemand die dagelijks professioneel met de taal bezig is. En ik moet al mijn collega’s nog onder ogen komen.

De pakketten gaan open

Dan gaan de gesealde pakketten open en worden de examenformulieren uitgereikt aan de 79 kandidaten voor vwo Nederlands en – aan de andere kant van de zaal – de 21 havo-kandidaten voor kunstgeschiedenis.

Het examen behandelt drie teksten. De eerste is een leuke klassieke tirade van Maarten van Rossem over het overschatte belang van historisch besef voor het bepalen van beleid voor de toekomst. Er worden 24 vragen over de tekst gesteld en ik doe er veel te lang over. Steeds moet ik delen opnieuw lezen om de functie ervan te bepalen, de kernzin eruit te halen, er een samenvatting van te geven of het gebruikte stijlmiddel te determineren. Soms ga je te diep nadenken, zoals bij vraag 21, waardoor je toch (blijkt later bij het nakijken) de verkeerde zin kiest om te citeren.

Bovendien zit ik voorin de zaal en staat de bak met ingeleverde telefoons vlak voor mijn neus. De trilfuncties van tientallen tienermobieltjes roffelen vrijwel onafgebroken, maar dat deert me gelukkig niet. Ik ben wel wat gewend van thuis...

Na een uur en drie kwartier heb ik tekst 1 gehad en moet ik er nog twee. De tweede, een betoog tegen de invoering van het basisinkomen, is een stuk lastiger. Over de acht vragen doe ik drie kwartier, maar dan heb ik nog maar een halfuurtje voor de laatste tekst, over de spagaat waarin journalisten vaak zitten (snel nieuws moeten leveren over onderwerpen die de lezer wil, versus gedegen onderzoek doen naar waar het écht over gaat). Gelukkig een onderwerp waar we op de krant vrijwel dagelijks over nadenken en ik raffel de resterende acht vragen in 25 minuten af zonder de tekst eerst rustig in zijn geheel tot me te nemen.

‘Ik vond het veel te lang’

Dan is het pennen neer en nakaarten. ,,Ik vond het veel te lang”, zegt Anne van der Weg uit Leeuwarden. ,,Ik had een oefenexamen in twee uur en een kwartier gemaakt, dus ik dacht dat dat nu ook wel zo zou zijn.” Amarens Noordenbos uit Reduzum is het met haar eens. Ze had een truc: ,,Af en toe even speeden en daarna weer een tijdje rustig aan doen. En ik durfde niet naar de wc te gaan.”

Qua stof was het goed te doen, is de consensus in de garderobe. ,,De teksten waren qua woordenschat niet moeilijk”, vindt Wilmer Koldijk uit Marrum. ,,Ik hoefde maar één woord op te zoeken: badinerend. Ik heb wel een goed gevoel, maar geen hoge voldoende denk ik.”

,,Ik had het niet speciaal geleerd maar het was best te doen”, beaamt Nienke Valkenhof uit Ferwert. ,,Die tekst over het basisinkomen vond ik wel lastig. En die vraag over dat stijlfiguur wist ik niet zeker.” Dat was vraag 9 over de opmerking van Van Rossem dat het uitdelen van gratis poffertjes op 4 en 5 mei evenveel zou helpen als al die prachtige toespraken van de afgelopen zeventig jaar. Zo’n typische Maarten van Rossem-overdrijving. Zelf had ik gegokt dat het om een hyperbool ging. Amarens had dat ook ingevuld. Jimme Fopma uit Leeuwarden had geen idee. ,,Ik heb er maar dysfemisme van gemaakt, het tegenovergestelde van eufemisme.”

Helaas fout

Mooi gevonden, maar volgens het correctiemodel is dat helaas fout. Hyperbool is wel goed en ook spot, ironie, sarcasme en overdrijving worden goed gerekend. Bij het nakijken moet ik toegeven dat ik het hier en daar beter meen te weten. Als over de antwoorden gecorrespondeerd mocht worden, zou ik bezwaar maken tegen het vereiste antwoord op vraag 15. ‘Anders dan veel leken denken, herhaalt de geschiedenis zich niet’ lijkt me toch echt niet de zin die het best duidelijk maakt waarom historische analogieën niet deugen. Juister lijkt: ‘Het historische proces zorgt steeds weer voor verrassende wendingen en geheel onverwachte gebeurtenissen.’

Zelf kom ik op een onverwacht hoge score van 57 van de 72 punten. Bij een gemiddelde N-term (moeilijkheidsgraad) zou ik uitkomen op een 8,1. Net als vroeger is mijn humeur meteen ongeneeslijk opgeklaard van zo’n resultaat.