Friese pers in oorlogstijd: Een strijd tussen plichten, principes en overtuiging

Het brengen van betrouwbare informatie, het schrijven van niets anders dan de waarheid en te allen tijde onafhankelijk te werk gaan: het zijn stuk voor stuk plichten van een journalist. In de Tweede Wereldoorlog kwamen deze met elkaar in botsing en dat had grote gevolgen voor de pers. Zeker ook in Fryslân.

Een exemplaar van het Friesch Dagblad en van de Leeuwarder Courant in mei 1940.

Een exemplaar van het Friesch Dagblad en van de Leeuwarder Courant in mei 1940. Foto: Delpher

Zij die de slaap niet konden vatten, moeten het als eersten hebben gehoord. Het vliegtuiggeronk vanuit de verte dat steeds dichterbij kwam. Het was op vrijdag 10 mei 1940 het allereerste teken dat er iets stond te gebeuren. Vanaf de grond viel het niet te zien, maar op de beide vleugels van de verkenningsvliegtuigen stond een ijzeren kruis. Het was de voorhoede van het Duitse invalsleger, dat Nederland in razend tempo onder de voet zou lopen.

Een dag later arriveerden de bezetters in Leeuwarden. In de ochtend van 11 mei reden Duitse tanks de stad binnen. Vanaf de redactie op de Voorstreek sloegen de journalisten van de Leeuwarder Courant de komst van de Duitsers gade. Een krant maken zat er die dag niet in. De anders altijd ratelende telex bleef angstvallig stil en de verbindingen met de rest van het land waren uitgevallen. Alleen via de radio hoorden de redactieleden af en toe wat nieuws over de stand van zaken elders.

Inval

Het nieuws van de Duitse inval was een dag eerder nog in grote letters afgedrukt op de voorpagina’s van de zes in Fryslân verschijnende kranten. ‘Nederland in oorlog met het Duitsche Rijk’ kopte de Leeuwarder Courant over de volle breedte van de pagina. Daaronder viel een proclamatie van koningin Wilhelmina te lezen, waarin zij protesteerde tegen de schending van de ‘stipte neutraliteit’ van Nederland. De regering deed daarnaast een dringende oproep aan burgers om moedig en toch vooral kalm te blijven.

Dat laatste was precies waar de Duitsers op hoopten. Zij wilden dat na de inval het normale leven zo gauw mogelijk weer doorgang zou vinden.

Die boodschap kregen de hoofdredacteuren van de Friese kranten ook mee na het weekend. Zij werden die Pinkstermaandag bij de bezetter geroepen en kregen de opdracht om over te gaan tot de orde van de dag. De Duitsers gaven daarbij wel aan dat er geen anti-Duitse artikelen geschreven mochten worden en dat er ook niet bericht mocht worden over troepenverplaatsingen en het weer.

Het volk warm maken

Het paste allemaal in de tactiek die de bezetter had uitgestippeld. Door een fluwelen handschoen te hanteren, wilden de Duitsers het Nederlandse volk geleidelijk voor zich zien te winnen. De media vervulde daarin een allesbepalende rol: door propaganda te verspreiden via de bij de lezers vertrouwde kranten zouden de Nederlanders ‘opgevoed’ kunnen worden. Met als uiteindelijke doel hen warm te maken voor het nationaalsocialisme. Een ambitieus plan, want het overgrote deel van Nederland zag daar in die tijd niets in.

Om daarvan de bevestiging te krijgen, hoefden de Duitsers alleen maar de Friese kranten van voor de Tweede Wereldoorlog open te slaan. Zo had Jan Witsen Elias, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant , zijn lezers in 1937 al opgeroepen om niet op de NSB te stemmen, omdat hun extremisme niet bij de Nederlandse volksaard zou passen. Ook in het overzicht met buitenlands nieuws stelde de krant zich kritisch op jegens de ontwikkelingen in nazi-Duitsland, terwijl het dagblad neutraliteit altijd hoog in het vaandel had staan. Maar omdat de kernwaarden van fatsoen, tolerantie en respect voor de democratie door het regime van Adolf Hitler ernstig werden geschonden, was volgens Witsen Elias een duidelijke stellingname noodzakelijk.

Friesch Dagblad

Het Friesch Dagblad zag aanvankelijk in de Sovjet-Unie een veel groter gevaar voor Nederland dan nazi-Duitsland. Het bolsjewisme moest Europa koste wat kost bespaard blijven. Bovendien vond de redactie dat neutraliteit ten opzichte van een direct buurland in stand moest worden gehouden.

Onder Hendrik Algra, die in 1935 was benoemd als hoofdredacteur, werd de lijn van het Friesch Dagblad tegenover het nationaalsocialisme harder. De NSDAP zou volgens hem in essentie ‘heidens’ zijn en NSB-voorman Anton Mussert werd in de krant neergezet als een parmantige ingenieur, een nitwit en dictator in spe. Het was aan de bezetter om te voorkomen dat de Friese kranten na de inval nog langer zo’n vijandelijke toon aan zouden slaan. De Duitsers stonden, gezien de situatie, op dat vlak voor een grote uitdaging.

Allerhartelijkst ontvangst

De bezetter zag zich namelijk geconfronteerd met een pluriform medialandschap dat door de grote hoeveelheid aan krantentitels lastig onder controle te krijgen zou zijn. Naast de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad verschenen in Fryslân ook het Volksblad voor Friesland , Ons Noorden , het Leeuwarder Nieuwsblad , het Nieuwsblad van Friesland en vele lokale kranten. Om toezicht te houden op wat de pers publiceerde en hen de goede richting te wijzen, werd er in iedere provincie een Pressereferent aangesteld.

In Fryslân ging het om de 37-jarige Karl Weidlich, die controleerde of de Friese kranten de persberichten van het ANP (dat onder Duits toezicht was gekomen) volgens de opgegeven voorschriften plaatsten. Na zijn aanstelling in augustus 1940 nodigde hij vertegenwoordigers van de Friese pers uit om langs te komen voor een bespreking. De bezoekers werden getrakteerd op sigaretten en kregen een allerhartelijkst ontvangst in zijn kantoor aan het Zaailand. De Pressereferent sprak de hoop uit op een goede samenwerking.

Het Friesch Dagblad bleek, tot frustratie van Weidlich, een kikker die niet in het mandje wilde blijven

Maar nog voordat de genodigden de deur uit konden stappen, kwam Weidlich met een dringend verzoek. Een Duits operagezelschap zou, inclusief balletdanseressen, optreden in Leeuwarden. Weidlich verzocht de kranten om daar reclame voor te maken. Tot zijn verwondering liet alleen het Friesch Dagblad weten daar niet aan mee te zullen werken, omdat toneel niet paste bij een calvinistische levensbeschouwing. De Pressereferent liet het erbij zitten maar het Friesch Dagblad had zich direct in de kijker van de Duitsers gespeeld.

De eerste Friese krant waarop de bezetter grip kreeg, was echter het socialistische Volksblad voor Friesland . Al na een paar maanden kwam het blad onder controle van de NSB en werd de Friese editie gecombineerd met die van Groningen. Het personeel in Leeuwarden werd ontslagen en de inventaris geveild.

Het eerste dagblad dat verdween, was het katholieke Ons Noorden . Hoofdredacteur J. Hulsman was, ondanks waarschuwingen van de bezetter, kritische artikelen over Duitsland blijven schrijven. Dat had grote gevolgen.

Uit het mandje springen

Want toen Ons Noorden een tegen de NSB-gerichte lezing van bisschoppen publiceerde, was de maat vol. Op 1 februari 1941 werd de krant verboden, volgde er een boete van 10.000 gulden, werd de inventaris ontmanteld en Hulsman gevangengenomen. Daarmee waren de andere kranten gewaarschuwd. Zij drukten de door de Duitsers verplichte berichten af op hun pagina’s, maar zetten daar wel boven: ‘Men verzoekt ons mede te delen’ of ‘Het ANP meldt ons’. Zo hoopte men de lezer duidelijk te maken dat het om Duitse propaganda ging.

Het Friesch Dagblad bleek, tot frustratie van Weidlich, een kikker die niet in het mandje wilde blijven. Hoofdredacteur Algra becommentarieerde niet het verloop van de oorlog, maar schreef over passages uit de Bijbel en historische beschouwingen. Bijvoorbeeld over de Franse annexatie van Nederland begin negentiende eeuw, waarmee hij in feite commentaar gaf op de Duitse bezetting, en over de ondergang van tirannen. Algra wist dat het tot een confrontatie met de Duitsers zou komen, maar wilde dat zo lang mogelijk uitstellen.

Weidlich liet de in het Friesch Dagblad verschenen krantenartikelen vertalen door Karl Alfred Reinberger, die doceerde aan de mts in Leeuwarden. Reinberger was een felle tegenstander van Hitler en sprak regelmatig met Algra over het onheil dat de hoofdredacteur waarschijnlijk boven het hoofd hing. Want de Pressereferent had Algra wel door, zo liet hij hem weten: ,,Ik weet best dat U op het ezeltje altijd een dekje legt, vóórdat U een houw geeft. Op het dekje staat ‘Assyrië’ of ‘Napoleon’, maar de houw is voor ons bedoeld.”

Nadat Algra opnieuw een kritisch stuk over de NSB had geschreven, was voor Weidlich en zijn superieuren de maat vol. Algra werd te verstaan gegeven dat hij alleen nog aan de krant verbonden mocht blijven als hij zou stoppen met het schrijven over politieke zaken. Volgens Algra was hij nu juist om die reden aangesteld als hoofdredacteur en kon hij niet anders dan daarmee doorgaan. Weidlich vertelde dat Algra het dan zelf maar moest weten. Voor de hoofdredacteur was het toen duidelijk: voor zijn eigen veiligheid moest hij stoppen.

Een rigoureus besluit

Van de aanvankelijke fluwelen handschoen viel dus in de loop van 1941 weinig meer te merken. De Duitsers wilden op meerdere manieren hun greep op de Nederlandse media verstevigen. Er kwam meer controle op wat er in de krant werd gepubliceerd en journalisten moesten per se lid worden van het Verbond van Nederlandsche Journalisten (VNJ). Zonder lidmaatschap was het niet langer mogelijk om werkzaam te zijn als journalist en dus meldden velen zich aan bij de nieuw opgerichte organisatie, die werd geleid door leden van de NSB.

De drie overgebleven journalisten van het Friesch Dagblad – Jan de Haan, Haring van der Goot en Bauke de Jong – lieten het bestuur van hun krant weten niet lid te zullen worden van de VNJ. Het trio weigerde in het spoor van de Duitsers te lopen. Om die reden kwam de directie tot een rigoureus besluit: het Friesch Dagblad zou per 19 mei 1941 stoppen met verschijnen. De Haan en bestuursvoorzitter D. Okma van de Provinciale Persvereniging voor Friesland (die de krant uitgaf) werden op het matje geroepen bij Weidlich. Aan de telefoon werden heftige dreigementen geuit voor als beiden niet zouden komen.

Dat het Friesch Dagblad niet langer zou verschijnen, was tegen het zere been van de bezetter. Weidlich begreep niets van het standpunt van de redactieleden. Okma hield rekening met arrestatie en nam voor de zekerheid zijn tandenborstel mee, maar na het gesprek met Weidlich konden beide heren vertrekken. De Pressereferent zag de verbazing op hun gezichten. Hij verwonderde zich over het feit dat Okma en De Haan bang waren niet naar huis te mogen. ,,Ja, maar wij zijn geen barbaren. U had zeker eerst nog een koffer mogen pakken.”

Met het verdwijnen van Ons Noorden en het Friesch Dagblad was het aantal kranten in Fryslân al afgenomen, maar nog niet voldoende in de ogen van de bezetter. Hoe kleiner het aantal kranten, hoe beter deze te controleren vielen. Dus werd in september 1942 besloten om de lokale bladen van Balk, Drachten, Gorredijk, Grou, Joure, Lemmer en Wolvega op te heffen. De kranten van Sneek en Bolsward moesten fuseren. Dat gold ook voor Franeker, Harlingen en Sint-Annaparochie en die van Burgum, Dokkum en Kollum.

Een gedwongen fusie

Onder het mom van papierschaarste mochten de lokale bladen bovendien nog maar één keer per week verschijnen. Ook de grote provinciale kranten ontkwamen niet aan het nieuwe beleid van de Duitsers. In maart 1942 werd aan het bestuur en de hoofdredactie van de Leeuwarder Courant een oproep gedaan om naar Den Haag te komen. Op het departement voor Volksvoorlichting kregen de vertegenwoordigers van Fryslâns grootste krant te horen dat zij moesten fuseren met de bladen van hun grootste concurrent: Mindert Hepkema.

In Heerenveen gaf het familiebedrijf van de Hepkema’s twee kranten uit: het Nieuwsblad van Friesland en het Leeuwarder Nieuwsblad . Een samenvoeging van de drie bladen was voor beide partijen een doemscenario, waar ze zich bij neerlegden. Al was er wel een succes voor Hepkema: hij wist zijn Nieuwsblad van Friesland buiten de fusie te houden. Die krant kwam onder leiding te staan van de pro-Duitse en antisemitische hoofdredacteur Hendrik Steenaart. De twee Leeuwarder bladen werden wel samengevoegd en beide titels verdwenen. Op 12 september 1942 kwam de eerste editie van de Friesche Courant uit.

Lees ook: Keimpe Sikkema, de Fries die de Februaristaking vastlegde

De fusiekrant kreeg Sybe Douwes de Jong als hoofdredacteur. Zijn opdracht was het blad ‘in de geest van de nieuwe orde’ te redigeren. De Jong was al sinds 1927 actief voor de Leeuwarder Courant als landbouw- en economieredacteur. Hij werd pas vlak voor zijn aanstelling als hoofdredacteur lid van de NSB, maar was geen antisemiet en vond het Duitse nationaalsocialisme te antichristelijk. De Jong wilde van de Friesche Courant ook geen propagandablad maken. Desondanks was hij overtuigd geraakt van een nieuw Europa onder Duits gezag.

In zijn eerste hoofdredactionele bijdrage liet hij weten dat ‘een ieder de lasten voelt die een wereldoorlog op ons legt’ en Nederland zwaar is getroffen. Landgenoten die hopen op bevrijding van ‘een macht overzee’ zouden teleurgesteld raken, zo schreef De Jong. ‘Alsof in de geschiedenis ooit een zwaar getroffen volk door een vreemde macht gered is.’ In plaats daarvan zou men moeten vertrouwen op de krachten die Friezen van hun voorvaderen geërfd hebben en die hen de rechtmatige plaats in het nieuwe Europa zouden bezorgen.

Geloof in Duitse zege

De Jong was een Friese nationalist en hoopte onder Duitse leiding de Friese zaak te kunnen dienen. Hij kreeg assistentie van overtuigde nationaalsocialisten Willem Hielkema, die werkzaam was bij het Nieuwsblad van Friesland , en de nog fellere Frans van Zutphen. Dat De Jong koos voor een beleid waarin journalisten geen dingen hoefden te schrijven die tegen hun overtuiging ingingen, was Hielkema een doorn in het oog: hij schreef aan de bezetter dat hij hoopte dat er wat collega’s ‘uitgeknikkerd’ zouden worden.

De Duitse invloed was duidelijk zichtbaar in de Friesche Courant . Zo waren er berichten van de Wehrmacht en werden er toespraken van Hitler en Mussert afgedrukt. Ook werd er na de invasie op D-day geschreven dat alle vijandelijke aanvallen waren afgeslagen. Het geloof en vertrouwen in een Duitse zege bleef groot. De Jong schreef in juni 1944 dat Duitsland allesbehalve op zijn laatste benen zou lopen: ‘Het smeedt in grote getale nieuwe wapens en gaat daarmee zijn tegenstanders te lijf. (…) Zoolang men in het centrum van ons continent nog van een dergelijken geest bezield is, bestaat er geen reden voor het lot van Duitschland te vrezen.’

Ondanks de pro-Duitse houding van de Friesche Courant behield het dagblad de meeste van zijn abonnees. De maximale oplage bedroeg 42.000 exemplaren en dat was eigenlijk te weinig gezien de vraag. De nieuwshonger gedurende de oorlogsjaren was groot en bovendien stond in de krant belangrijke informatie over het inleveren van distributiebonnen vermeld. Naarmate de oorlog voortduurde, werden de werkomstandigheden voor journalisten steeds zwaarder: het papiergebrek werd almaar groter en de krant kon lang niet altijd verschijnen.

Stoppen met verschijnen zou grote consequenties voor hun personeel hebben gehad

Van het leidende trio bij de Friesche Courant was begin 1945 bovendien weinig over: Hielkema overleed plotseling in de zomer van 1944, Van Zutphen sloot zich aan bij de SS en De Jong was geestelijk en lichamelijk zwak. In de krant van 9 april 1945 schreef de hoofdredacteur een bijdrage waarin hij zijn bewondering voor het Duitse volk uitsprak en de angst voor een Derde Wereldoorlog tussen kapitalisme en communisme: ‘De Idee van ’t Nieuwe Europa zal niet teniet kunnen worden gedaan. Evenmin het zal gelukken een volk van 90 miljoen als het Duitsche te vernietigen. (…) Ook de storm, welke thans over het Avondland woedt, zal haar niet wegvagen’.

Zwart, wit of toch grijs

Zondag 15 april trokken de eerste Canadese militairen Leeuwarden binnen. De bevrijding van Fryslân was daarmee aanstaande. De Jong werd niet lang daarna gearresteerd en meegenomen naar het politiebureau. Dat ging er niet zachtzinnig aan toe: zijn bril zou stuk zijn geslagen en voor een joelende mensenmenigte moest hij op straat zijn eigen stukken voordragen. Het was voor De Jong een grote marteling, maar zijn geloof in het nationaalsocialisme bleef standhouden. Hij beweerde bovendien altijd de waarheid te hebben geschreven. De Jong werd gevangengezet in een interneringskamp en werd voor twintig jaar uit zijn beroep gezet. In 1948 keerde hij volledig invalide terug bij zijn gezin en drie jaar later kwam hij te overlijden.

De pijlen van het verzet werden niet alleen op de schrijvende journalisten gericht. Ook de uitgevers van de Friesche Courant – Jaap Sprenger namens de Leeuwarder Courant en Mindert Hepkema namens het Leeuwarder Nieuwsblad – werden door verzetsgroep Je Maintiendrai beschouwd als collaborateurs die winst hadden gemaakt onder nazibewind.

Verzetsdaad

Maar volgens Sprenger en Hepkema hadden ze slechts alles op alles gezet om hun bedrijf van de ondergang te redden. Stoppen met verschijnen zou grote consequenties voor hun personeelsleden hebben gehad en alleen zo konden ze hen behoeden voor dwangarbeid in Duitsland. Bovendien verdedigden beide uitgevers zich door te melden dat zij, door de persen draaiende te houden, voorzagen in de grote nieuwshonger ten tijde van de oorlogsjaren. Volgens hen was nieuws zeker tijdens de bezetting een belangrijke levensbehoefte en was de lezer zich er goed van bewust dat er, naast het vele streeknieuws, ook Duitse propaganda werd afgedrukt.

Desondanks mochten de Friesche Courant , de Leeuwarder Courant en beide Hepkema-kranten niet langer verschijnen na de oorlog. Op hun persen werden verzetskranten als de Leeuwarder Koerier en de Heerenveensche Koerier gedrukt. Drie jaar na het besluit om niet langer te verschijnen, iets wat door velen als een verzetsdaad werd gezien, keerde ook het Friesch Dagblad terug. Op 17 april werd in het eerste nummer na de bevrijding vol vreugde gemeld dat het schip weer was gaan varen, nadat de krant lang aan de kade vast had gelegen: ‘We wilden alleen varen met de vlag in top.’

Na de Tweede Wereldoorlog werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ‘goede’ en ‘foute’ kranten. Een tegenstelling als zwart en wit. Dat doortrekkende zouden er in de oorlogsjaren enkel ‘helden’ en ‘schurken’ hebben bestaan in Nederland, maar natuurlijk was dat niet zo. De meerderheid bevond zich eerder in een grijzig gebied. Het overgrote deel van de Nederlanders deed namelijk wat uitgevers Sprenger en Hepkema ook deden: zich aanpassen aan de nieuwe situatie, zorgen voor elkaars veiligheid en diep in hun hart hopen op de komst van betere tijden.

Lees ook: Waarom de angst voor de Duitse bezetter in Sneek niet zomaar verdween

U kunt ons helpen de journalistieke onafhankelijkheid in Fryslân te waarborgen. Klik hier om een bijdrage te leveren.

Op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen over het coronavirus? Meld u aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief

Nieuws

menu