Geschiedenis is nooit een afgesloten hoofdstuk: het slavernijverleden werkt door in het heden, ook in Fryslân

De afgelopen weken schreef Barbara Henkes op deze plek over kolonialisme en slavernij in het Friese verleden en wat er daar vandaag nog van terug te zien is. Vandaag een slotbeschouwing.

Black Lives Matter-betoging in Leeuwarden.

Black Lives Matter-betoging in Leeuwarden. Foto: Nisha Faber

Geschiedenis is nooit een ‘afgesloten’ hoofdstuk: zij kan als Doornroosje tot leven worden gewekt in het heden, mits de noodzaak daartoe wordt gevoeld. En dat is precies wat er de afgelopen jaren gebeurde met de geschiedenis van het kolonialisme en het daarmee verbonden slavernijverleden. Van Amsterdam tot Middelburg en van Haarlem tot Leeuwarden, of beter: in heel Nederland, evenals in andere Europese landen en daarbuiten heeft die behoefte zich gemanifesteerd.

Ook ik boog mij, samen met studenten en gesteund door Friese instellingen en belangstellenden, over het materiële en immateriële erfgoed dat verband houdt met de betrokkenheid van Fryslân bij deze koloniale geschiedenis. Het werd een reis langs verschillende locaties in de regio en langs ruim vier eeuwen geschiedenis, vanaf de zeventiende eeuw tot de dag van vandaag.

Zo namen we u, als lezers van het Friesch Dagblad , mee naar Bitgum, waar het adellijke echtpaar Thoe Schwartzenberg en Tjaerda van Starckenborg in 1662 een ‘Moorse jongen’ in huis haalde. Tijdens feesten en partijen werd Isack ‘te pronck’ gesteld voor de overige gasten.

Iets soortgelijks gebeurde met zwarte bedienden die op het schilderslinnen vereeuwigd werden aan de zijde van hun werkgevers, zoals in het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden. Lang werd gedacht dat het ging om de fantasie van de schilder, die een zwarte page toevoegde als statussymbool en voor het contrast met de witte huid van zijn meester of meesteres.

Ondergeschiktheid

Gaandeweg wordt duidelijk hoe vaak het gaat om daadwerkelijk bestaande bedienden, die zich moeilijk in de archieven laten traceren maar wel degelijk in Fryslân en elders in Europa aanwezig waren. Hun positie verschilde wezenlijk van hun lotgenoten op de plantages in de koloniën, ook omdat slavernij sinds de middeleeuwen in de Republiek der Nederlanden verboden was. De documenten en schilderijen laten wel zien hoe door de eeuwen heen een beeld werd gecreëerd waarin ondergeschiktheid verbonden raakte aan ‘exotische’ mensen van kleur in dienst van witte machthebbers.

Afrikaanse mannen en vrouwen of kinderen die figureren op schilderijen, of die voorkomen in de correspondentie van de Friese elite en elders in de archieven, maakten deel uit van de Friese samenleving. Hun aanwezigheid werd mogelijk gemaakt door Nederlandse koloniale veroveringen: door toe-eigening van het land overzee, het onderwerpen van de oorspronkelijke bewoners en door de handel in grote aantallen gevangenen - slaafgemaakte mensen - naast andere kostbare ‘producten’. De Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Geoctroyeerde West Indische Compagnie (WIC) speelden daarbij een centrale rol.

Hoewel er in Fryslân geen regionale afdelingen waren van de VOC en de WIC, raakten veel Friese instanties en individuele Friezen wel degelijk betrokken bij deze multinationale handelsondernemingen. Want eenmaal in het bezit van voldoende geld, ontstond al snel de wens om dat in winstgevende activiteiten te beleggen.

Zo treffen we Friese aandeelhouders en bewindvoerders in voornoemde ondernemingen. Maar ook zeelieden, soldaten en chirurgijns op schepen van de VOC en WIC verdienden hun geld dankzij de handel in slaafgemaakten en in koloniale producten, die door slaafgemaakten werden geproduceerd en aan boord gebracht. En wat te denken van Friese kunstenaars die in opdracht van de elite de ondergeschikte positie van het Afrikaanse continent en Afrikanen verbeeldden en zodoende versterkten?

Boemerang

Nadat de slavernij in navolging van Engeland en Frankrijk sinds 1863 ook in de Nederlandse koloniën werd verboden, zouden de gevolgen van de koloniale praktijk in zowel Zuidoost-Azië als in het Caribisch gebied als een boemerang terugkeren naar de Nederlandse samenleving. Dat gebeurde onder meer toen Nederland en ook Fryslân in de jaren 1950 werden ‘verrast’ door de komst van ongeveer 12.500 Molukkers.

Zij waren afkomstig uit de Molukken, een eilandengroep die in de zeventiende eeuw door de VOC met extreem geweld was veroverd. Eeuwenlang vormde het een gewilde bestemming vanwege de lucratieve specerijenhandel. De exclusieve leverantie van kruidnagels tegen de door de VOC vastgestelde prijs bracht de lokale bevolking bittere armoede. Het in dienst treden van de mannelijke bevolking bij de VOC-troepen bood uitkomst. Dat beroepsperspectief werd later gecontinueerd in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).

De Deadenwacht

Ook tijdens de naoorlogse rekolonisatieoorlog in Indonesië (1945 –1949) stonden zij aan de kant van het Nederlandse leger. De aflevering over het standbeeld De Deadenwacht in Leeuwarden verwees naar deze oorlog, maar ging voorbij aan deze voorgeschiedenis en de gevolgen van de soevereiniteitsoverdracht voor de Molukse ex-militairen. Zij waren hun leven niet zeker nadat zij met de koloniale macht hadden samengewerkt. Die collaboratie werd mede gemotiveerd door het streven naar een eigen onafhankelijke Molukse staat los van Indonesië.

Met de belofte dat zij met steun van de Nederlandse regering teruggebracht zouden worden naar de Molukken, kwamen zo’n 12.500 Molukkers met hun gezinnen naar Nederland. Zij werden ondergebracht in tochtige barakken in onder meer de Friese bossen van Wyldemerk bij Balk en Fochteloo - en spoedig bleek: zonder perspectief op terugkeer.

De boemerang waarmee de gevolgen van een koloniale praktijk naar Nederland terug zou keren, gold hier de treinkapingen en gijzeling in de jaren zeventig, waarmee een groep jonge Molukkers hun frustraties over loze beloften aan hun ouders en hun pijnlijke ervaringen met racistische vooroordelen tot een gewelddadige uitdrukking bracht.

Uitsluiting

Evenals de groep Molukkers en Indo’s uit Indonesië, kregen Surinaamse Nederlanders na hun aankomst in Nederland te maken met racistisch gemotiveerde uitsluiting, zoals de aflevering over de opvang in Berltsum liet zien. Toen na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 grote aantallen Javaanse, Hindoestaanse en ook Creoolse Surinamers kozen voor de Nederlandse nationaliteit, werd duidelijk welke onderlinge spanning het koloniale bewind had gecreëerd en hoe dat terugsloeg op de Nederlandse samenleving.

Hoewel de confrontaties op basis van raciaal onderscheid in de Verenigde Staten onvergelijkbaar zijn met die in Europa, vormden de protesten in Amerika tegen racistisch (overheids)geweld wereldwijd een ‘wake-up call’ om systematisch racisme aan de orde te stellen. Na ruim tien jaar hoogoplopende discussies over ‘Zwarte Piet’, klonk ook in Leeuwarden in juli vorig jaar, tijdens een grote manifestatie rond het thema Black Lives Matter, een luid protest tegen uiteenlopende vormen van discriminatie en ‘micro-agressie’, waarmee Friezen van kleur in het dagelijks leven geconfronteerd worden.

Of geschiedschrijving dat kan veranderen? Daar is uiteraard veel meer voor nodig, maar aandacht voor de hardnekkige stereotype beeldvorming en uitsluiting als gevolg van eeuwenlange koloniale repressie (en het verzet daartegen door slaafgemaakten) kan helpen.

Veel plezier

Ondanks de beladen thematiek en soms schrijnende documentatie heb ik mijn werk als geschiedschrijver in Fryslân met veel plezier gedaan. Allereerst omdat het mogelijk was de ‘kleine’ lokale en regionale verhalen te verbinden met een wereldomvattende, globale geschiedenis. Maar ook omdat ik tijdens mijn verkenningen van het Friese verleden kon genieten van adembenemende tochten door het Friese landschap, langs de meren, over zeedijken, door elf steden en vele dorpen.

Nooit eerder kwam ik in aanraking met zoveel lokale historische verenigingen, die met zoveel plezier hun kennis wilden delen. Juist door het delen van verhalen over het verleden en het uitwisselen van ervaringen in het heden gaat deze - lang verborgen - geschiedenis leven, en wordt duidelijk hoezeer dat veel omvattende verleden doorwerkt in onze hedendaagse samenleving.

Barbara Henkes is historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen en auteur van het onlangs verschenen boek Sporen van het slavernijverleden in Fryslân.

Eerder afleveringen van de serie ‘Sporen van slavernij’ teruglezen? Dat kan hier