Dat starters op de huizenmarkt tussen wal en schip vallen, hadden we kunnen voorzien. Hoe wonen ineens een probleem werd | Column

Hoe iets ‘íneens’ kan lijken, terwijl het eigenlijk een langlopend proces is met voorspelbare uitkomsten. Oftewel: hoe niet opletten en niet sturen tot ongewenste resultaten leidt.

De krapte op de huizenmarkt neemt steeds verder toe.

De krapte op de huizenmarkt neemt steeds verder toe. Foto: ANP

We kijken nu verbaasd naar de hoge woningprijzen en de grote problemen voor starters en mensen met kleine inkomens. Ze vallen tussen wal en schip – huur en koop. Dat konden we zien aankomen. Het is vooral het gevolg van de sterke vergrijzing en het veranderende beleid rond ouderenzorg.

Hoewel de vergrijzing al bekend is in planologie en lange termijn-denken sinds de geboorte van de babyboomers, is alleen de zorgsector met de verzekeraars hier proactief mee bezig gegaan. Als sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw waren er taskforces en adviseurs bezig met ‘grenzen aan de zorg’.

Zij konden uitrekenen wat de hogere levensverwachting van de grote naoorlogse generatie, gekoppeld aan de toenemende zorgtechnologie en mogelijkheden, zou gaan kosten. En ze zijn dus op allerlei manieren gaan sturen op een afnemende groei van die kosten. Hetgeen cumuleerde in de ontmanteling van verzorgingstehuizen en budgettering van de verpleeghuiszorg.

Geen kostenstijging ondanks stijgende vraag was het doel. En het paste uitstekend bij de groeiende groep mondige ouderen die graag langer thuis wil wonen, niet meer opgehokt, en bij de gewenste scheiding van wonen en zorg. En weet je wat, dan brengen we een groot deel van de kosten die het zorgen thuis vraagt onder bij de gemeenten, met korting in de Wmo.

Een eenzijdig succes

Een succesvol project met op zijn minst enige beheersing van die ongewenste sterke groei. Maar ook wat eenzijdig. De waarde van integraal denken en afwegingen maken wordt hierbij pijnlijk zichtbaar.

Want ergens is er toch vergeten te calculeren wat het betekent als iedereen thuis blijft wonen. Dat mensen tot hun negentigste, ook na verlies van partner, in hun grote koop- of huurwoning blijven wonen. En juist in die tijd van afbouwen van de woonzorgvoorzieningen voor ouderen zijn ook de woningbouwcorporaties in een kleiner hok gezet; ze mogen alleen nog bouwen voor de groep met de allerlaagste inkomens.

En het is ouderen niet financieel aantrekkelijk gemaakt om door te stromen naar andere woonopties. Wie lang in een huurwoning van de woningbouwcorporatie woont, krijgt vaak een fikse huurverhoging bij doorstroming. Wie op hoge leeftijd nog een ander huis wil kopen, wordt zacht gezegd niet erg door banken geholpen en ook de Belastingdienst weet drempels op te werpen als er kapitaal beschikbaar komt door verkoop van een huis.

Dus de huizen komen niet beschikbaar en het aantal mensen per huis daalt enorm. Zo stijgt de vraag naar woningen.

De bouw viel stil

En dan was ook nog besloten dat Nederland na de vierde nota ruimtelijke ordening planologisch wel af was en dat gemeenten en provincie het verder maar een beetje moesten doorregelen met de markt die wel aanbod maakt als er vraag is. Voor zover dat laatste al gebeurt – natuurlijk vooral in het koopkrachtige segment – viel in de economische crisis de projectontwikkeling nagenoeg stil.

Overal werd geadviseerd om juist door te ontwikkelen vanwege de demografische noodzaak, maar investeerders haakten af, beducht voor de risico’s. De bouwsector kromp sterk in die jaren.

Toen kwam stikstof (ook al lang bekend!), een soort sjoemelsoftware van de overheid om getallen voor je te laten werken. En zo zitten we met de gebakken peren en moeten we als een dolle gaan bouwen. In de openbare ruimte die ook nodig is voor zonneparken en natuur en met een enorm gebrek aan arbeidspotentieel dat alleen maar groter zal worden – want oh ja vergrijzing en ontgroening.

Ik spreek veel mensen over Brede Welvaart en het belang van integrale afwegingen. Het voorbeeld spreekt hier voor zich.

Waarom zijn de consequenties voor wonen niet goed gezien toen de ouderenzorg werd hervormd? Omdat we niet zo georganiseerd zijn en ieder zijn eigen doelen probeert te halen. Meer departementen en afdelingen bij de overheid zijn niet nodig, niet doen, maar zorg dat er mensen zijn die bij alle keuzen het brede verhaal met gevolgen en mogelijke oplossingen in beeld brengen. Alleen zo kunnen we dit soort onbedoelde grote maatschappelijke gevolgen voorkomen.

Fijne zomer.

Ingrid van de Vegte is directeur van het Fries Sociaal Planbureau (FSP)